Voorpublicatie van Inspiration Point

Ze hebben me een atelier gegeven in Grunewald om mijn boek af te maken.'s Nachts kwam ik hier aan met een verhuisbusje met tien dozen, een matras en twee mountainbikes. Op het einde van een straatje, daar waar het bos begint, de enorme bakstenen fassade met een klein deurtje erin. Een hoge ruimte met veel kunstlicht en grote ramen die mij en mijn dozen weerspiegelen. Ik heb op mijn vensterbank mijn twee play-mobil zigeunertjes gezet die ik deze zomer kocht van een meisje dat op een dekentje voor mijn huis haar speelgoed verkocht. Ik zie ze staan in de verte in het enorme raam waarachter een wereld die ik pas morgenochtend kan aanschouwen.

Ik heb niet kunnen slapen, geluiden die ik niet thuis kan brengen, helemaal alleen in een groot donker bos. In de ochtend zie ik pijnbomen en berken, vogelhuisjes in de bomen en in de verte een modernistische bungalow met vierkante raampjes erin. Ik zie achter de raampjes een groene weduwe, ze heeft me in de gaten. Ik voel nog meer ogen op mij gericht. Vanuit een vogelhuisje vlak voor mijn raam zit een koolmees naar binnen te kijken. Ik ben hier gekomen met een missie. Ik moet in deze ruimte werken aan Inspiration Point. Ik heb daar het woord SUPER-EXSITENTIALISME voor bedacht. Het gaat over het leven in de uitvergroting. In dit atelier kan ik grote onbescheiden gedachten ontwikkelen. En ik kan hier springen zonder mijn hoofd te stoten en ik heb heerlijke muziek en versterkers meegenomen. Mozart, Schubert, Saint-Etienne en The Velvet Underground. En niemand die me stoort. En eenzaam voel ik me niet. De groene weduwe en de koolmezen achter hun venstertjes en de zigeunertjes in de vensterbank stellen me gerust maar 's nachts verandert de groene weduwe in een zwarte weduwe, niet teveel fantaseren.

Ik heb gisteravond vernomen dat dit atelier van Arno Breker was. De lievelingsbeeldhouwer van Hitler. Ekko liet me foto's zien. In deze ruimte maakte hij zijn gigantische mensen-sculpturen. De super-mannen en vrouwen en adelaars ook. In deze ruimte werkte hij aan zijn leven in de uitvergroting. Hier ontwikkelde hij zijn onbescheiden gedachten met gladde oppervlakken. Hier stond Adolf op te kijken naar de beelden van de nieuwe mens. Ik ben verward. Ik moet hierover nadenken. Ik ben ook bezig met een nieuwe mens.

In München trad Patti Smith op in een ruimte waar Hitler zijn redevoeringen heeft gehouden, ze zong met een wijze glimlach, een soort licht in de duisternis, niet zalvend. Ze zong `People have the power' zonder ridicuul te zijn of angstaanjagend of naiëf, ze straalde zoveel positivieve energie uit, een mooie Mens, een open Mens, een boze mens, een lieve Mens, een Mens met grote ideëen, een menselijke Mens, een Mens met een hoofdletter. De zwarte weduwe in het bos schilder ik vannacht in mijn hoofd in de kleur van een mens... ze ligt net als ik te slapen. En omdat ze zo fijn is en kwetsbaar verander ik de hoofdletter weer in een kleine letter. Ze is een mens net als ik.

Ik herinner me het kleine biddende Hitlertje van Maurizio Cattelan op zijn kniëen in het Haus der Kunst in München.

Ik herinner me de moeilijkheden die ik als kind had met het kleuren van de mens. Ik gebruikte geel, en roze en bruin, ik mengde de kleuren, maar nooit kreeg ik de kleur van de mens, al het andere kon ik de juiste kleur geven, de kleren, de huizen, de bomen en de lucht maar niet de mens, de huid van de mens. Ik vond het frustrerend, kleurde de huid niet meer in, liet het de kleur van het papier.

Ik herinner me Sylvia Kristel op het bed in haar hotelkamer in Hollywood. Ze maakte iedere dag een portret (een zelfportret) en gebruikte daarvoor haar lipstick, oogschaduw, maskara, blush. Ze schilderde de mens door deze op te maken.

Ik herinner me de tentoonstelling van Tom Hueck in de Hamburger Bahnhof in Berlijn. De kleine naakte man in het bootje turend naar de horizon. Ik moest huilen. Hij leek kwetsbaarder dan een echt mens.

Ik herinner me de opening van de tentoonstelling van Rineke Dijkstra in New York. Eerst hadden wij allemaal de meer dan levensgrote portretten van de vreemdelingenlegionair bekeken. Terwijl wij allemaal dronken werden en ons met elkaar gingen bezighouden, merkte ik opeens dat die legionair op de foto ons van alle kanten aan het bekijken was.

Ik herinner me de huid van mijn moeder toen ze dood was. Ik streek erover heen met mijn hand, ik drukte mijn lippen op haar huid, maar ze was weg, ze had zich teruggetrokken en ik kon haar niet meer vinden. Ik kan daar niet mee omgaan. Ik wil dat niemand zich terugtrekt. Ben ik misschien daarom soms overmoedig? Om die pijn niet te voelen? Blaas ik daarom de dingen op? Wil ik daarom soms een poppetje zijn?

Ik hef hiermee het SUPER-EXISTENTIALISME op en keer terug naar het menselijke bestaan, het bestaan van de mensen die geboren worden en doodgaan, de mensen met de grote dromen, de mooie mensen en de lelijke mensen, de bescheiden mensen en de onbescheiden mensen, de mensen die niet zijn na te maken en niet zijn vast te houden, naar het bestaan dat soms heerlijk is en soms niet en zich aan ons onttrekt maar nog niet en misschien daarom wel zo prachtig is, zo overweldigend en gelukkigmakend.

Ik sprak gisteren nadat ik een lezing had gegeven in het Deutsch Historisches Museum met mijn Duitse redacteur, ik vertelde dat het zo confronterend was in het atelier van Arno Breker over het super-existentialisme na te denken. Hij keek bedrukt. Ik zei: `Und ich will auch ein neuer Mensch werden.' Hij schudde zijn hoofd. Hij zei: `Nein, `kein neuer Mensch... vielleicht ein veränderter Mensch aber kein neuer Mensch...' Ik zei: `Ik begrijp dat de term beladen is voor jullie, maar om eerlijk te zijn, ik wil geen veranderde mens worden maar een nieuwe mens, een Probe-Mensch...' `Hier in Duitsland mag je dat echt niet zeggen.' Ik zei dat ik dat goed begreep, maar om heel eerlijk te zijn, wil ik een nieuwe mens worden, die niet in de wereld zijn spiegel ziet, maar door die   heenbreekt en kan kijken, ik ben door een spiegel heengebroken, ik heb me door een heel spiegelpaleis geslagen en voel me bevrijd... kan ik kijken, van binnen naar buiten?

Ik ben het bos ingelopen, langs de berken en de pijnbomen, onder de blauwe lucht... ik zag de huisjes in de bomen... en huisjes op de grond met gaatjes erin waar je doorheen kan kijken.

Nee, nee, ik voer het begrip super-existentialisme weer in.