Hoofdstuk 1, ‘Het Verticale Strand’

Vervolgen wij deze roman met de kleine gestalte voor het raam op de eerste verdieping van het grote huis aan het Wilhelminapark in Utrecht. Ze lijkt haast verzwolgen te worden door de vloed van blauw-violette trossen van de blauweregen – ze houdt niet van de Latijnse naam ervan, wisteria klinkt als hysteria – die langs de gevel omlaag hangen en met zijn viooltjesachtige geur de omwonenden en voorbijgangers bedwelmen. Ze is het soort vrouw dat zich laat verzwelgen noch bedwelmen.

De voortuin staat vol bomen, struiken en planten waarvan de takken en bloemen door de spijlen van het gietijzeren hek naar buiten groeien alsof ze weg willen vluchten naar het park aan de overzijde van de straat.

De statige blakend witte herenhuizen aan weerszijden van deze omhoogkruipende tuin doen vermoeden dat er achter de bladeren en bloemen evenveel statigheid schuilgaat. Maar in de winter, wanneer de natuur wordt aangetast door haar eigen elementen en de blauweregen is opgedroogd geven de knoestige bruine takken die in elkaar draaien, als verliefde slangen, tegen de wijzers van de klok in, terug in de tijd – het uitgeklede huis een sinistere uitstraling. De muren vertonen scheuren en barsten, de verf bladdert, het smeedwerk roest, het huis is in nood. Maar Lucy van Nispen die van zichzelf vindt dat ze niet aan het verleden is gehecht zit daar – anders dan haar buren – in het geheel niet mee, want zij is de vrouw die naar buiten kijkt en het uitzicht op het park is het hele jaar door schitterend.

En waarom vooruitlopen op de winter, het is vanavond een zomeravond, het huis is bedwelmend en verleidelijk als een prachtige vrouw, felle kleuren licht weerspiegelen in de stukken ruit die niet zijn overwoekerd door de blauweregen als de glinsterende ogen van een kat in de nacht, een kat op jacht.

En nu naar binnen gaan, door het tuinhek, dat uit zijn scharnieren hangt, over het met zeis en snoeischaar vrijgemaakte pad dat leidt tot het trapje naar de deur met het smeedwerk, de deur staat op een kier, wordt binnen op iemand gewacht? De deur openduwen, de grote marmeren hal binnengaan met de uitgedroogde varens in de gebarsten potten voor de grote verweerde spiegel, de brede trappen op naar boven, over de versleten turkooizen lopers, met de dof uitgeslagen koperen roetjes, bruine vochtplekken doen het streepjesbehang boven de donkere houten lambriseringen opwellen als koortsblazen, in de bocht van de trap een schilderij, een soort bol in allemaal blokjes, een testbeeld of een andere planeet, dat het licht weerspiegelt van de grote glazen lichtbol die boven in het trappenhuis zweeft, op de eerste verdieping de antieke linnenpers waartussen de kinderen vroeger bloemen en blaadjes lieten drogen, achter de rechterdeur zit op het bed mevrouw van Nispen. Ze schreeuwt dat ze met rust gelaten wil worden.

Maar niemand heeft op haar deur geklopt of is zomaar haar kamer binnengelopen.

Laat me in mijn waarde!

Sinds de dood van haar dochter zit Lucy ’s avonds vaak op haar oude bed naar buiten te kijken met de verrekijker die Gloria op haar eerste heilige communie van oom Ernst had gekregen, alsof ze daar over het pad tussen de bomen van het duistere park ieder moment aan zou kunnen komen lopen, met dat triomfantelijke glimlachje op haar gezicht omdat ze alle lantaarnpalen had uitgetrapt.

Het park is vanavond niet duister, felle laserstralen spelen op van achter de bomen, lampjes in alle kleuren knipperen, lichtvlekken als vijvers verspreiden zich over de bladeren, vloeien de kamer binnen, doen de muren en objecten in de kamer angstaanjagend oplichten. Het harde gedreun, de opzwepende ritmes, sirenes, opgewonden stemmen en gegil jagen iedere gedachte aan Gloria weg.

Lucy van Nispen is een kleine kordate vrouw met blauwgrijs haar, glanzend als de vacht van een zilvervos, bijeengehouden door een haarnetje, dat ze regelmatig kwijtraakt, er moeten hier in huis al honderden netjes verloren zijn geraakt, ze denkt alles bij elkaar genoeg voor een fl inke visvangst. Haar gezicht is bijna onopvallend, geen scherpe trekken, maar haar ogen zijn levendig, wakker. Lucy kijkt naar de wereld vanuit haar ooghoeken, sluw, wantrouwend ook, alsof ze de wereld ieder moment betrapt, vooral op haar tekortkomingen. De toon van Lucy als ze spreekt is sarcastisch, haast blafferig, veel mensen zijn bang voor haar, vooral vrouwen. Ze is er niet op uit iemand gerust te stellen, sommige mannen vinden haar sarcasme amusant en aantrekkelijk, bijvoorbeeld Ernst Altena, de family man die aan de andere kant van het park woont, hij slaapt waarschijnlijk door het lawaai heen, met oordoppen in, hij is de man van vroeg naar bed en morgen vroeg op, hij wil iets doen in zijn leven, iedere dag opnieuw, goed geconserveerd blijven is zijn eerste zorg. Lucy vindt zichzelf niet sarcastisch, haar leven is dat.

Morgen is het haar vijfentachtigste verjaardag maar daar is ze vanavond niet mee bezig, zij vindt dat een mens fl ink moet zijn, en jarigzijn is een absoluut toegeven aan sentimentaliteit. Ze wil niet meegesleept worden door tedere en weemoedige gevoelens als door een modderstroom. Ze wil niet idealiseren, ze hoeft niet gerustgesteld te worden, ze wil de wereld zien zoals die is. Zij meent dat haar man en dochter aan sentimentaliteit ten onder zijn gegaan.

Lucy verzucht vaak: ‘Komt dit allemaal in één hemel?’ (‘Dit’ zijn de mensen op straat of op de televisie en soms zelfs de mensen in haar huis), hoewel ze helemaal niet in de hemel gelooft – daar vindt ze zichzelf langzamerhand te oud voor, voor veel dingen vindt ze zich te oud, ook voor een aantal beperkingen die ze zich vroeger heeft opgelegd. Ze bedoelt met dat komt-dit-allemaal-in-één-hemel: ik zal blij zijn als ik straks van jullie allemaal ben verlost. Want hoewel ze zichzelf geen sentimentaliteit toestaat, gelooft ze in de verlossing. De verlossing is het defi nitief loskomen van alle sentimentaliteit in de wereld.

Aan de overkant van de straat ziet ze door de verrekijker het meisje op de stoeprand, lang donker haar over de schouders, een kort spijkerrokje, een laag uitgesneden topje, lichtblauwe baret, hoe oud zou ze zijn, veertien, vijftien jaar? Haar benen liggen gestrekt voor haar op straat, een beetje uit elkaar, ze draagt een wit onderbroekje, het glinstert. Lucy weet waar de mensen in deze wereld aan denken, vroeger wist ze dat niet, maar nu weet ze alles.

Ze kijkt beter naar die glittertjes, de Eiffeltoren in zilveren pailletten en gouden lovertjes, de Eiffeltoren, daar had Lucy op haar tiende verjaardag met haar moeder opgestaan en met haar eigen dochter toen die tien werd, hopend daarmee op een traditie die van moeder op dochter zou worden doorgegeven, maar Gloria wilde niet met haar dochter naar Parijs, ze wilde nooit meer naar Parijs, zij gingen naar Londen, een foto op Lucy’s nachtkastje gemaakt op Piccadilly Circus getuigt daar nog van, moeder en dochter, wat zijn ze bleek,hebben ze niet geslapen of zijn ze nog steeds zeeziek van de boottocht?

Lucy keek nog eens goed, een Eiffeltoren op het onderbroekje, daaronder de donkere haartjes kort geschoren, ruw als een jongensnek, naast haar staat een andere fi guur, een man, of een vrouw, vormeloos en leeftijdloos, in een sweater met capuchon, hij balanceert op de rand van de stoep, maakt een sprong, als een kat, gaat naast haar zitten, legt een arm om haar heen, het meisje trekt haar topje recht, legt haar handen gekruist op haar borsten, ze kijken allebei recht voor zich uit, ze wachten op iemand of ze verbergen zich of ze zijn moe van het draaien, schommelen, en schudden. Misschien laten deze jonge mensen zich wel betoveren door de blauweregen, denkt Lucy. Maar hoe welriekend haar geur ook moge zijn, de blauweregen is giftig, net zoals de meeste bloemen en planten in haar tuin. De bloeiende adonissen kunnen hartstoornissen veroorzaken, de anemonen darmklachten, de azalea’s speekselvloed, de brem opwinding, de clematis blaren, twintig bessen van de hulst kunnen voor een jong mens dodelijk zijn, de laurierkers veroorzaakt samentrekkingen, de hyacinthen jeuk, de wolfsmelk blindheid, de berenklauw rode vlekken, het wildemanskruid verlamming, de iris buikloop, de paardekastanje angst en onrust, de rododendron tranen, de zomerklokjes braken, de zwarte nachtschade braken, de blauweregen braken.

Het rokje optillen, mompelt Lucy, de man tilt het rokje omhoog, langs de hielen tussen de lange blanke benen omhoog, het witte slipje, glinsterende pailletten, het meisje huivert, neuriet, rekt zich uit, als een poes, haar armen gestrekt boven haar hoofd, ze tilt haar bekken op, kronkelt, kom, kom, mompelt Lucy, haar ogen refl ecteren, ze denkt, ik ben vanbuiten verschrompeld maar vanbinnen niet, van binnen ben ik groot en licht als een luchtkasteel.

Laat me in mijn waarde!

Boven de bomen het reuzenrad, de mandjes met verliefde stelletjes, denkt Lucy, draaien langzaam om hun as. Een staaf met aan één uiteinde een paar bankjes waarop jonge mensen ingesnoerd zitten, slingert vervaarlijk om zijn as. Twee enorme buizen met knipperlichtjes, waartussen een bal aan elastieken hangt, gaan als de benen van een schaar uit elkaar en schieten die bal waarin twee mensen zitten omhoog de hemel in, het gegil van de inzittenden klinkt helder als kristal, ze zijn op weg naar de maan, of verder nog, maar de elastieken breken de glorieuze lancering af en trekken de bal terug naar de aarde, een mislukte poging, opnieuw proberen.

De vormeloze figuur met zijn kap op is weer opgestaan en maakt rare bewegingen, alsof hij dronken is, het buigt zich naar voren, geeft het meisje een kus op de mond, door de mond naar binnen, denkt Lucy, door de slokdarm, het darmenstelsel, de achtbaan, vol jongens en meisjes, goed vasthouden, jullie gaan over de kop, en nu steil naar beneden, jullie verlaten het lichaam en gaan in het nieuwe lichaam, het leven van een jong mens is nog geen verhaal, denkt Lucy, alleen het begin van een verhaal, het kan zich nog alle kanten op ontwikkelen. Wij denken alleen aan de goede dingen die de jonge mens zal overkomen, misschien is dat maar beter zo, hij zal doen wat wij niet hebben kunnen doen, de kansen grijpen die wij niet gekregen hebben, hij zal bereiken waar wij naar gestreefd hebben, want hij heeft tijd, en kracht, zal hij de eerste mens worden die seksueel totaal bevrijd is, seksualiteit is steeds op weg naar bevrijding, uit de bevrijding los naar een grotere bevrijding, alsof een mens zich steeds verder kan bevrijden, uitkleden, de geschiedenis als een tergend trage striptease op weg naar de definitieve onthulling. Met bevrijden is het als emanciperen en opnieuw beginnen, het is een eindeloos proces, het reuzenrad draait, de staaf slingert om zijn as, de schaar met de knipperlichtjes gaat open en schiet een bal in de lucht. Wij hadden vroeger de zweefmolen, denkt Lucy, wij zwierden rond, centrifugaal, wij kenden de verticale bewegingen nog niet, wij meenden op aarde te moeten blijven.

Het meisje aan de andere kant van de straat zit af en toe met haar vingers aan haar witte onderbroekje met de pailletten, misschien kietelen ze, de fi guur stopt zijn hoofd tussen haar borsten en zij duwt het weg, een auto rijdt luid toeterend voorbij, de jongen roept de auto iets na, de bal schiet achter hem boven de bomen in de lucht.

Het meisje met de lichtblauwe baret legt nu haar hand op het kruis, ze brengt haar mond naar de broek, haar haren bedekken zijn kruis, een auto komt voorbij, de fi guur buigt zich over haar heen, komt weer overeind, terwijl haar hoofd in zijn schoot op en neer beweegt kijkt hij naar het voorbijrijdende verkeer, Lucy’s handen trillen, op deze dag, op dit tijdstip, op deze plaats, dit is echt, de onbedekte lichamen die ze op haar televisie ziet zijn misschien al oud, de mannen en vrouwen die ze ziet hijgen, beuken, zieltogen, misschien al dood, je zou het gevoel moeten hebben dat het nu gebeurt, seks en herinnering gaan niet samen, seks is een product van het heden, daarom kunnen herinneringen aan Robert haar ook niet meer dienen, en bovendien, hoe zielsveel ze ook van haar man heeft gehouden, zijn die ervaringen met hem ook van een geheel andere orde, inhoudelijker, de binnenkant van de liefde, ze hebben niets met deze lichamelijke oefeningen te doen, waar ze hier getuige van is, waarom zou ze niet kijken, wat hebben ideeën over goed en kwaad voor zin? In het begin dacht ze bij al die onbedekte lichamen op haar televisiescherm aan het volk op straat waar ze niets mee te maken wilde hebben, totdat ze dacht dat die lichamen net zo goed aan beschaafde weldenkende mensen konden toebehoren, voor wie ze misschien wel sympathie voelde, het is een ontstellende vaststelling voor een vrouw op haar leeftijd, je kunt niet zien wat voor mensen het zijn want ze zijn naakt, en ze houden hun mond, soms herkent ze het milieu van de mensen, hun smaak, aan het slaapkamermeubilair, de schemerlampen of het behang of de kapsels, maar soms is er geen enkel aanknopingspunt, speelt het zich buiten alle milieus af, ze voelt zich eenzaam in deze kale naakte wereld zonder referenties, en tegelijk denkt ze gaat het hierom en niet om al het andere, de taal, de gesproken taal, maar dit is ook een taal, de taal van de lichamen.

De jongen gooit zijn hoofd in zijn nek, het gezicht in de kap, de duivel, hij kijkt haar recht in de ogen, duwt het hoofd van het meisje weg, beter het licht uitdoen, straks wordt de verrekijker nog van haar afgepakt, ze hebben al genoeg afgepakt, Lucy gaat op het bed liggen, ze moet ervan blozen, ze is betrapt, ze wacht op de deurbel, een stem die haar naam roept, maar ze hoort alleen de muziek van de kermis, en hier en daar een gil, ze weet hoe het verder gaat, uiteindelijk, waar dan ook, zijn opgewonden geslacht in de mond van het meisje, tussen de borsten van het meisje, tussen de benen van het meisje, in de vagina van het meisje, achter in het meisje, Lucy is niet gek, in de mond van het meisje een ander geslacht, tussen de borsten van het meisje een ander geslacht, tussen de benen van het meisje een ander geslacht, achter in het meisje een ander geslacht, het geslacht in een ander meisje, tussen de borsten van een ander meisje, tussen de benen van een ander meisje, in de vagina van een ander meisje, in de mond van het meisje een ander geslacht, tussen de borsten van het meisje een ander geslacht, tussen de benen van het meisje een ander geslacht, in de aars van het meisje een ander geslacht, steeds andere geslachten in monden van andere meisjes, tussen borsten van andere meisjes, in de vagina’s en aarzen van andere meisjes, verwoede pogingen om samen te vallen, haar verrekijker verandert in een caleidoscoop, waarin de pailletten uiteenvallen in steeds andere fi guren, ze ziet sterren en rechthoeken en vijfhoeken in steeds wisselende kleurencombinaties waarin de jongens en meisjes van de wereld steeds nieuwe fi guren maken, het reuzenrad draait, de enorme staaf slingert om zijn as, de schaar met knipperlichtjes gaat uit elkaar en schiet een bal in de lucht, zie haar hier liggen in haar roze bedjasje, voor haar moeder gebreid door haar moeder, de levens van oude mensen worden levensverhalen, naarmate ze ouder worden tekenen zich tragische levens af, er bestaan geen vrolijke levens, denkt Lucy, daarom houden we van jonge mensen, omdat die tragiek nog niet is uitgetekend, niet zichtbaar is, wij hopen dat de jonge mensen de eerste gelukkige mensen op de aarde zullen zijn, daarom lachen wij naar baby’s en niet naar ouderen, wij lachen het gelukkige leven toe, het eerste gelukkige leven, we lachen ook naar de alleroudsten omdat het weldra met hun tragische levens gedaan zal zijn, daarom lachen ze naar mij en daarom lach ik om mijzelf, de enorme staaf slingert om zijn as, het reuzenrad draait onvermoeibaar, de twee buizen met knipperlichtjes gaan uit elkaar en schieten een bal in de lucht, jonge mensen laten zich alle richtingen op slingeren, ze zijn radeloos, slingeren in elkaar, op zoek, op zoek naar wat, naar het vullen van de tijd, het vullen van de leegte, het vullen van de gaten, ruimte en tijd moeten gevuld worden.

Lucy denkt aan de verwarde blikken op straat, van jonge mensen, oude mensen, een bejaarde bij de slager, die tuurt tussen de biefstukken, het lamsvlees, de worsten, en plotseling zwetend opkijkt, in de ogen van de slager, die misschien dezelfde beelden vannacht heeft gezien, de man die twee meisjes op elkaar had gestapeld, met borsten glimmend van de olie, en zijn geslacht over vier gaatjes verdeelde, het ene gaatje na het andere, alle mensen verward door hetzelfde, het centrum kwijt, het speeksel dat een man uit zijn mond in het openstaande gat liet lopen, het gat dat gapend open bleef staan, een roze pulserende iris, de donkere schaduw in het roze vlees, roodgewreven door de gulzige tong, hoe kan iemand zich nog concentreren met zulke beelden in zijn hoofd, dat is toch verontrustend, die beelden die je plakt onder de hoofden op straat, die lichamen die je je verbeeldt onder de kleren, die handelingen die je fantaseert achter gesloten gordijnen, is ze blij dat ze dat allemaal heeft gezien? Het is toch verschrikkelijk dat haar seksuele leven zich heeft verplaatst naar het beeldscherm. En met terugwerkende kracht worden ook haar herinneringen aangetast door de pornografi e, ziet ze de opgewonden geslachten bij haar in de klas, en in het bed van haar ouders, haar arme vader en moeder, stop, ze denkt in cirkels, dit is niet denken, maar ook de beelden op het beeldscherm zijn in cirkels gemonteerd, er was een man die plaste over een vrouw maar hij hield niet op te plassen, ze werd er gek van, die man plaste een minuut over haar heen, twee minuten, het ging maar door, zoveel vocht kan een mens niet in zich bewaren, de beelden waren zeker aan elkaar gemonteerd, maar voor haar was het real time, had ze dat onmogelijke gevoel – want ze verplaatste zich in hem, in zijn plassen – zichzelf uit te plassen, haar eigen lichaam door haar gat naar buiten te laten stromen, niemand meer te zijn, hoe kon ze ooit nog een gesprek voeren met iemand, als ze tegelijk hier aan dacht, die verwardheid, het centrum kwijt, er was geen centrum meer, als een voetbalwedstrijd met twee, drie ballen, het publiek kijkt alle kanten op, de commentatoren weten niet meer welke wedstrijd te verslaan. Natuurlijk wist ze al voordat ze kabeltelevisie had dat het bestond, ook al had ze er niet over gelezen of gesproken, het was een toepassing van alles wat je wist van de dierenwereld op de mens. Ze heeft vanmorgen gehoord op de radio dat er in Frankrijk een man in zijn huis is gevonden twee jaar nadat hij was gestorven, hij zat naar de televisie te kijken, ze hadden de elektriciteit afgesloten, en deurwaarders waren aan zijn deur geweest maar niemand was binnengegaan, pas na twee jaar, die man zat voor de televisie op zijn stoel, hij was een skelet, een skelet op een stoel voor een tv.

Lucy heeft dat vreemde gevoel in haar buik, alsof ze door iets gedragen wordt, of door iets omhooggetrokken, aan haar arm haar geliefde met het gaatje in zijn borst waardoorheen hij heeft kunnen ontsnappen toen hij met zijn rug tegen de muur stond. Deze liefde is als een bal die afgeschoten wordt, zonder elastieken eraan. Ze voelt een steek in haar onderrug, ze probeert de pijn niet te voelen, ze heeft een methode ontwikkeld, ze concentreert zich zo sterk op de pijn dat ze ermee samenvalt, ze gaat de pijn binnen, als in een huis waar niemand wil binnengaan, hierbinnen is het vredig en rustig, pijn heeft zelf geen last van de pijn, net zoals ijs geen last van de kou heeft en kokend water zich niet aan zichzelf brandt, ze probeert vooral niet te veel te denken, het denken kietelt, jeukt, vermoeit haar, de laatste dagen had ze geen pijn meer – ze klopt het drie keer af op de rand van het bed – misschien omdat ze de pijn zelf is geworden.

Lucy trekt het roze gebreide bedjasje dat haar moeder vroeger droeg, over haar hoofd en trekt haar benen op.

Haar eekhoorns in het park zijn uit angst in hun holletjes gekropen, dat licht en dat lawaai zijn voor hen niet uit te houden, de vieze grijze eekhoorns maakt het waarschijnlijk niet uit, zij vreten de frieten en stukken suikerspin die de mensen slenterend tussen de attracties laten vallen, maar de rode niet, die zijn gevoelig en kieskeurig, daarom hebben zij het moeilijk in deze wereld. Ze stelt zich voor dat ze zelf een eekhoorn is in een holle boom, ze vindt zichzelf lief, in haar oude broze lijf op het bed van Gloria, vroeger kon ze niet goed alleen zijn, ze voelde zich niet samen, zoals nu, ze kon zichzelf niet vertederen, ze liet zich vertederen door anderen, haar kinderen, kleinkind, maar mensen verliezen het vermogen te vertederen vanaf een bepaalde leeftijd, Gloria vertederde haar niet meer vanaf het moment dat ze zelf een kind had, haar vertedering sprong over op haar dochter, waar zou dat door komen? Als ze zich tien jaar geleden voorstelde dat ze een eekhoorn in zijn holletje was vond ze zichzelf helemaal geen lieve eekhoorn, wat een kwelling, denkt Lucy, maar vandaag ben ik een lieve rode eekhoorn. Ze heeft altijd gedacht: zolang ik geen dag jonger zou willen zijn ben ik op de goede weg, ze is op de goede weg, de weg waar naartoe, ze is te oud om zich daar nog mee bezig te houden, de vraag naar de weg is academisch, het zijn de vragen van de jeugd.