‘BLOED, ZWEET EN TREINEN’: ‘Inspiration Point’, de Berlijnse notities van Oscar van den Boogaard
“IK WIL IETS ANDERS DAN TAAL; IK WIL HET WIT, DE STILTE, IK WIL DAT HET LICHT IS.”
door Janine Brogt
PROMISKUITÄT BILDET!
Door Hans-Jürgen Balmes

‘BLOED, ZWEET EN TREINEN’: ‘Inspiration Point’, de Berlijnse notities van Oscar van den Boogaard

‘Ik heb al mijn liefdes gevonden op het openbaar vervoer’

Hier is het dat ik die chauffeur in zijn dikke Mercedes voor nazi uitscheld omdat hij mijn spatbord heeft geraakt,’ zegt Oscar van den Boogaard me, op het kruispunt Mommsenstraße-Bleibtreustraße. De schrijver draagt een pet en we fietsen door pagina 49 van zijn nieuwe boek, ‘Inspiration Point’ (uitgeverij De Prom), het dagboek over zijn nieuwe, Berlijnse leven. Hij zet er een flinke vaart achter, een uur later zijn we aan de oever van de Wannsee. Daar staat de villa waar de nazi’s de Endlösung hebben uitgewerkt, het plan ter vernietiging van het jodendom. ‘Berlijn is geen onschuldige stad,’ zegt Oscar als ik hem ingehaald heb, ‘ik heb mijn eigen donkere kant hier leren kennen.’ Vlak naast het Haus der Wannsee-Konferenz ligt een groot restaurant (grillspecialiteiten!) dat ze Haus Sanssouci genoemd hebben. Berlijn, zal Oscar me nog duidelijk maken, is donker en licht tegelijk.

U hebt de steekkaart van mijn gesprekspartner niet meer bij de hand? Hier is zijn samenvatting, in een Libération van vorig jaar: ‘Ik ben een Hollander, opgegroeid in Suriname en Nederland. Mijn vader had een koloniaal verleden in Indonesië, mijn moeder leefde in haar eigen, aristocratisch-alcoholistische wereld. Ik heb gestudeerd in Montpellier, Amsterdam en Brussel, waar ik twaalf jaar gewoond heb. Op school heb ik Latijn en Grieks geleerd, ik spreek zes Europese talen, ik voel me een ‘oude Europeaan’, om de beschrijving van Rumsfeld te gebruiken. Nu woon ik in Berlijn.’

            Hij ontpopte zich, zal ik er maar aan toevoegen, tot één van de beste pennen van zijn generatie, onder meer met de roman ‘De heerlijkheid van Julia’. De laatste jaren schrijft hij ook geregeld toneel. Ik ontmoet Van den Boo-gaard, onder de enige boom van de Walter Benjamin Platz, enkele dagen nadat hij veertig geworden is en de sleutel van zijn nieuwe appartement in de wijk Charlottenburg in handen heeft gekregen. Hij is hier alleen, maar wel op zijn manier: net als in zijn dagboek duiken in onze gesprekken zijn vrienden zo vaak op - Steven Van Watermeulen, acteur, Jan Mot, galerist, Manon de Boer, fotografe en cineaste - dat ze erbij lijken te zitten, hier in Café Diener vlak bij Savigny Platz.

OSCAR VAN DEN BOOGAARD « De uitnodiging om hier een jaar te komen schrijven kwam net op het goede moment. Ik had een werkappartement in Brussel, waar ik voordien met Jan had samengewoond, en ik woonde in Antwerpen samen met Steven. Ik was de hele tijd op en neer aan het reizen, ik werd er duizelig van. Ik wou een plek waar ik alleen kon zijn: voor het eerst heb ik gekozen voor een stad zonder een geliefde te volgen. Hier wil ik blijven. En tegelijk wil ik het goede behouden in België: ik woon de helft van de tijd met Steven in Antwerpen, en mijn eerste daad hier in Berlijn was ook voor hem een mountainbike te kopen; hij moet zich hier thuisvoelen.

            » In een relatie ben ik heel aanhankelijk, ik kan als een hondje voor het raam zitten te wachten tot de ander thuiskomt. Hier ben ik er voor niemand, behalve voor mezelf en wat ik ga maken. Je hebt eenzaamheid nodig om te schrijven. Het is heel anders wakker te worden met je roman - ‘Wat heb ik vannacht ook alweer gedacht?’ - dan met de vraag: ‘Waar heeft Steven zin in voor ontbijt?’»

HUMO Om te schrijven moet ik mezelf ontmenselijken, schrijf je in ‘Inspiration Point’.

VAN DEN BOOGAARD « Om te schrijven moet ik mezelf afsluiten, en mijn idee van humaniteit is dat je openstaat voor de mensen. Als ik in een ruimte aan het schrijven ben, kan het ondraaglijk zijn dat iemand daar ook maar een voet zet. Oog in oog met een deadline ben ik in staat mensen het huis uit te trappen, ze de kop af te bijten - ja, zo grof mag het klinken, want dat zijn echt driften. En ik wil nu nog meer gaan schrijven. Sommige mensen vinden me productief; zelf heb ik het gevoel dat ik heel weinig geschreven heb, dat ik te veel met het leven bezig ben geweest.»

HUMO De klok tikt: je bent niet de eerste die dat soort gedachten op zijn veertigste formuleert.

VAN DEN BOOGAARD « Op mijn verjaardag was ik in Antwerpen. Ik ben er op de bus gestapt en heb geroepen: ‘Ik ben veertig!’, gewoon om eens te kijken welke reacties dat zou opleveren. Het viel nogal tegen. Een man zei: ‘Ik ben 43, en dan?’ In Antwerpen kan je sowieso geen grapjes maken.»

HUMO Zelf zal je toch wel verhevener gedachten gehad hebben bij die gebeurtenis: in je dagboek blijkt het van groot belang dat je halverwege het leven bent.

VAN DEN BOOGAARD « Het gevoel van een landing heb ik eraan overgehouden. Ik ben iemand die heel erg uitwaaiert, die geen vaste identiteit heeft: ik ben wat ik zie. Ik vergeet mijn eigen beperkingen. Dat ik een lichaam heb, met twee armen en twee benen, daar ben ik me niet van bewust. Maar een paar dagen geleden had ik opeens het idee dat ik vanuit de kosmos, door de dampkring heen, naar beneden gevallen was, en met een enorme kracht in mijn eigen lichaam terechtgekomen was. En het paste! Ik had het gevoel dat het een geluid maakte - tsjak! Zoals je skischoenen dichtklikt, of een deur dichtslaat.»

HUMO Misschien heeft het met de nieuw verworven woning te maken: het koperen naamplaatje hangt er al, de hypotheek is afgesloten.

VAN DEN BOOGAARD « Een hypotheek van twintig jaar, ja. Iets huren wilde ik niet, ik wilde geen vrijblijvende band met deze stad. Toen mijn stipendium bijna opgesoupeerd was en ik aan het aftellen was - nog twee maanden, nog één maand... - bleef ik, zonder er erg in te hebben, voor ieder raam van iedere makelaar staan. Ik wou niet weg, ik wou hier een huis kopen. En het appartement dat ik gevonden heb, voelt als een thuis. Het heeft hele dikke muren - met mijn gsm kan ik er niet eens telefoneren - en het ruikt naar boeken: het was van een oude professor theologie, een man met een hele lange grijze baard. De notaris bij wie we hebben getekend, woont ook in het huis. De conciërge is een joodse vrouw van tachtig, die hier in de oorlog ondergedoken zat en er haar hele leven is blijven wonen. ‘Alsjeblief, kies toch voor ons!’ zei ze me. Ik zie zo’n huis als een biotoop vol mensen die ik in de loop der jaren zal leren kennen, in een buurt met een gemêleerde bevolking van bourgeois en intellectuelen, werkende mensen en gepensioneerden - het soort mengeling dat ik miste in de Brusselse Dansaertstraat.»

Super

HUMO Toen ik je acht jaar geleden sprak, verscheen dat stuk onder de titel: ‘Ik weet niet wie ik ben. Ik zou willen dat er een term voor me wordt bedacht, zodat ik wat rustiger kan ademhalen.’ Uiteindelijk heb je in je nieuwe boek zelf een term bedacht: ‘superexistentialist’. Gaat het ademhalen nu wat rustiger?

VAN DEN BOOGAARD « Ik moest gewoon mijn eigen onbegrijpelijkheid een naam geven. En dat superexistentialist, dat klopt wel. Aan de ene kant ben ik erg doordrongen van de zwaarte van het bestaan, meer dan vroeger, vandaar dat existentialisme; aan de andere kant ben ik erg uit op lichtheid, en daarom voeg ik er dat wat kinderlijke ‘super’ aan toe. Ik vergroot dingen graag uit, om ze beter te zien: een reuzenijsje is lekkerder dan een ijsje. Super heeft voor mij ook te maken met het durven gebruiken van hoofdletters. Dat vind ik bijzonder aan het Duits, dat het woorden met hoofdletters schrijft. Daardoor worden het begrippen waar je naar kunt kijken, waar je omheen kunt lopen, waar je gedachten aan kunt wijden. Het Nederlands heeft die hoofdletters niet, daardoor lijkt alles en passant te gebeuren.

            » Het is allemaal speels bedoeld hoor, ik ben geen theoreticus. Al ben ik wel van plan een manifest op te stellen, want ik ken veel mensen die zijn zoals ik en die daar een begrip voor proberen te vinden. Mijn Franse uitgeefster is zo iemand. Ik heb haar de eerste keer ontmoet op de eerste verdieping van Café de Flore op de Boulevard Saint-Germain, waar vroeger Sartre over het existentialisme zat te filosoferen, en ik dacht meteen: hier, een verdieping hoger, is echt de plek om een aantal mensen samen te roepen en na te denken over het superexistentialisme. En dat ga ik doen, dit najaar.»

HUMO ‘Oscar van den Boogaard vous invite à participer à un débat sur le super-existentialisme...’

VAN DEN BOOGAARD « Ja! Maar niet als media-evenement, maar gewoon omdat het me interesseert. Als je erover nadenkt, is er bijna geen reden tot blijdschap in de wereld, en daarom vind ik blijdschap fascinerend.»

HUMO Albert Camus, existentialist, zei eens: ‘Je kan niet de hele dag geëxalteerd zijn.’

VAN DEN BOOGAARD « Het is een stom woord, maar ik ben wel geëxalteerd, ja. Ook vandaag alweer de hele dag, en tot nu toe gaat het goed, dank u. Ik heb daar ook alle reden toe; ik bén een geluksvogel. Zie ons hier zitten! (Klinkt met het uitstekende witte wijntje) En dan vind ik dat ik er ook maar wat van maken moet. Het leven is een opdracht, je moet keuzes maken, dingen veranderen. En vooral niet zeuren. Ik kan niet tegen zeurpieten, ik loop altijd van ze weg. Ik kan geen aura’s lezen, maar soms zie ik toch ergens een donkere, vieze kleur hangen, en dan loop ik daar in een grote boog omheen. Licht zijn is hard werken! (lacht)»

HUMO Je gebruikt ook de term superhumanisme. ‘C’est quoi monsieur Van den Boogaard, le superhumanisme,’ zullen ze je daar boven de Flore ongetwijfeld vragen.

VAN DEN BOOGAARD « Een superhumanist is iemand die, niet alleen vanuit de theorie, verantwoording opneemt voor de mensen uit zijn buurt. Ik ontmoet ‘geëngageerde’ mensen, mensen die politiek theater maken bijvoorbeeld, die niet eens in staat zijn een goed gesprek met je te voeren, zozeer zijn ze op de Wereld gericht, de negertjes in Los Angeles of zo; als het maar ver weg is.»

HUMO ‘Leven in de uitvergroting’ is nog zo’n term die je lanceert: het lijkt wel jouw variant van A.F.Th. van der Heijdens ‘leven in de breedte’, het laten uitdeinen van elk moment - zijn manier om de dood voor zich uit te duwen.

VAN DEN BOOGAARD « Nee, met zo’n beeld heb ik moeite. Het zegt misschien iets over Van der Heijden, maar leven in de breedte maakt je heel log, lijkt me, je komt geen deur meer door, en niemand kan je meer omarmen. Ik heb een heel ander beeld voor ogen: een enorme ballon die vol lucht zit, en die jou omhoogtrekt. Ik vergroot mezelf niet uit, maar ik loop wel rond in een enorm beeldenpark, een wereld waarin de ijsjes groter zijn, de vrouwen grotere borsten hebben, een wereld vol enorme opgeblazen poppen.»

HUMO Poppen duiken vaak op je in boeken. Waarom zijn ze zo belangrijk voor je?

VAN DEN BOOGAARD « Als jongetje speelde ik eindeloos met poppen. Eerst met soldaatjes, daarna barbiepoppen, daarna nog andere poppen. Poppen aan- en uitkleden, heel leuk; familiesituaties in het poppenhuis, heel belangrijk! Nog later zag ik mijn vrienden en vriendinnetjes als poppen. Steven en ik zijn een toneelstuk aan het schrijven, ‘Nest’, en dat gaat ook over poppen. Er komen er zeven in voor, en ze lijken allemaal op Steven - ze worden door Ve-ronique Branquinho aangekleed.

            » Een pop is net zoals jij wilt dat ze is, een perfecte spiegel. Een pop is mijn binnenkant. Een pop spreekt je niet tegen, valt je nergens mee lastig. Een pop kan niet van je weglopen, ze is het ideale object voor iemand die geen afscheid kan nemen. Een pop is licht... Nee, ik ben er nog niet over uitgedacht.»

Nieuwe mens

HUMO Je hebt geschreven over het uitvergroten van het leven in het atelier van de monumentale nazi-kunstenaar Arnold Breker. Hielp dat?

VAN DEN BOOGAARD « Toen mijn Berlijnse schrijfjaar voorbij was, kreeg ik nog een nieuwe schrijfplek voor een paar maanden, midden in het Grunewald. Ik kwam er op een avond toe met een busje, met daarin tien dozen en twee mountainbikes. Midden in het bos stond een dertig meter lange, tien meter hoge muur, met een klein deurtje erin, en een hele grote ruimte erachter. Na een paar dagen hoorde ik dat het destijds het atelier van Arnold Breker was geweest. Daar over de nieuwe mens te zitten filosoferen, op de plek waarop de favoriete beeldhouwer van Hitler zijn versie van de nieuwe mens had neergezet, dat was wel wat verwarrend, maar ik ben gefascineerd door dat soort toeval.»

HUMO Het toeval heeft altijd een grote rol gekregen in je leven.

VAN DEN BOOGAARD « Ik heb een romantisch beeld van het toeval. Ik geloof dat er voortdurend cadeaus uit de hemel vallen, en dan kan je kiezen: je vangt ze op, of je laat ze te pletter slaan. Toen ik twintig was, reisde ik door India en vond in een hotelkamer een boek van Anaïs Nin. Een verschrikkelijk boek, vind ik nu, maar ik heb er toen wel veel in aangestreept: op dat moment was dat kennelijk toch de informatie die ik nodig had. Jarenlang, schreef ze, had ze haar Parijse woonboot achter zich aangesleept - stel je voor, een enorm trekwerk! - tot ze begon met schrijven, toen ging ze opeens drijven. Een wanstaltige meta-foor, maar wel één die tot de verbeelding sprak van een jongen die zelf ook wou gaan schrijven.

            » Ik heb ook al mijn liefdes in het openbaar vervoer ontmoet. Want dat geflirt met het toeval had toch vooral met de liefde te maken, met het vinden van mensen. Dat houdt me minder bezig nu ik met de liefde van mijn leven ben, en ook nog eens met de ex-geliefde van mijn leven.»

HUMO De breuk met Jan en de keuze voor Steven heb je verwerkt in een toneelstuk, ‘Lucia smelt’, waar je vorig jaar ook een romanversie van hebt gemaakt, ‘Een bed vol schuim’; je werkt ook nog aan een verfilming ervan. De nieuwe liefde, Steven, speelt zelf mee in toneelstuk en film: maakt dat het niet wat wrang?

VAN DEN BOOGAARD « Andere mensen vinden dat raar, voor mij was het de enige manier om de breuk met Jan te verwerken. Jan zat in de zaal toen ‘Lucia smelt’ in première ging. Hij herkende veel van de dialogen, maar hij zat ook te wachten met een fles champagne, en die hebben we met z’n allen gedronken.»

HUMO Over de breuk met Jan zei je in interviews: ‘Verlaat je geliefde: dat is het beste wat er is!’

VAN DEN BOOGAARD « In dezelfde interviews zei ik ook dat ex-geliefden voor mij niet bestaan. Ik heb geleerd dat je soms een breuk moet forceren, een conflict moet aangaan. Voor mij was iemand pijn doen een revelatie, dat had ik nog nooit met zoveel kracht gedaan. Misschien hadden we die breuk nodig om te kunnen blijven samenwerken.

            » Toen ik Jan ontmoette, zijn we samen een galerie begonnen en tentoonstellingen gaan maken; met Steven ben ik onmiddellijk toneelstukken gaan maken. Ik heb altijd samengewerkt met mijn vrienden, ik weet niet hoe een vriendschap er anders zou moeten uitzien. Wij zijn allemaal iets aan het maken, Steven is acteur en regisseur, Jan maakt tentoonstellingen, Manon filmt en maakt kunst, Sara (Deroo) is actrice, Veronique maakt kleren, Sven (Grooten) is architect... Ik ben toneel gaan schrijven om samen te werken; schrijven alleen is me te eenzaam. Het is ook een illusie te denken dat je het van je publiek moet hebben. Nee, alle interessante discussies vinden plaats nog terwijl je aan het werk bent. Dan deel je het geluk samen iets te maken dat mooi is, of het ongeluk iets te maken dat totaal mislukt.»

Kannibaal

HUMO Je bent thuis in vele steden. Wat heeft je doen kiezen voor Berlijn als werkplek?

VAN DEN BOOGAARD « Berlijn is een stad waar je licht én zwaar kan zijn, en daar was ik aan toe. In België had ik toch een heel licht, vrolijk leventje, hier krijgen mijn angsten meer aandacht. In Berlijn kan je fantastisch uitgaan, fantastisch dansen, maar het is ook een harde stad, waar heel veel is gebeurd; de bunker van Hitler staat hier, vanuit Grunewald vertrokken de jodentransporten.

            » Berlijn is de ultieme stad. Ik hou heel erg van Parijs en de Fransen en de Franse literatuur, je kan met iedere Fransman een interessant gesprek hebben, maar Parijs is alléén cultuur; de Berlijners hebben ook de natuur, de ruwe kant. Je kan hier, op een kwartier van mijn huis, eindeloos in de bossen fietsen zonder iemand tegen te komen.

            » In het begin vond ik dat de Duitsers geen flair hadden, dat ze er allemaal zompig uitzagen. Ik heb toen erg veel ruzie gehad met de mensen, omdat ik ze zo koud en onmenselijk vond. Ik begreep het niet - allicht ook omdat ik blijdschap verwachtte: ik had een bom geld gekregen, kon van het ene restaurant naar het andere trekken, overal praatjes maken en voor iedereen cadeautjes kopen. Ik had het in die eerste maanden voortdurend over de agressie van de Duitsers, maar natuurlijk ging het ook om mijn eigen agressie. Ik ben absoluut geen lief kereltje, ik ben eigenlijk een heel boosaardig mens. Miskijk je daar niet op als ik me in een gesprek altijd weer presenteer als een groot, blij kind.

            » En die agressie is op een nacht geculmineerd in een vreselijke nachtmerrie, waar ik dit hier aan te danken heb (toont de binnenkant van zijn arm). Wil je mijn littekens zien? Ik laat ze graag zien. Kijk, hier hebben ze het gehecht, een slagaderlijke bloeding was het. ‘We zijn klaar,’ zeiden ze, maar toen pas werd duidelijk dat er ook achter mijn elleboog nog een enorme snede zat, dat was helemaal opengevouwen, verschrikkelijk. Anderhalve liter bloed verloren.»

HUMO Wat was er precies gebeurd?

VAN DEN BOOGAARD « Eén van de bekende nachtmerries: ik was aan het vechten, sloeg hard terug. Ik ben naar beneden gerend, ben flauwgevallen in een café, weggevoerd door de ambulance. Ik dacht dat ik alleen keihard tegen het raam geslagen had, maar toen ik weer thuiskwam, bleek alles onder het bloed te zitten. Ik had het raam kapotgeslagen, twee ramen zelfs.

            » Ik heb dat soort nachtmerries sinds een jaar of vijf, waarom weet ik niet. Vroeger kwam mijn moeder ’s nachts mijn kamer binnenlopen als ze gedronken had. ‘Lig je weer niks te doen?’ Maar zo eenvoudig zal het wel niet zijn, dat het daarmee te maken heeft. Een paar nachten geleden was ik weer tegen de muur aan het slaan, deze vinger is nu wat dikker. Ik ben nog altijd niet in therapie, ik hoop dat het voorbijgaat.»

HUMO In ‘Inspiration Point’ heb je het - niet voor het eerst - over kannibalisme. Je pikt uit de krant het bericht op van een man die een andere man opeet: ‘Eerst zijn geslacht en daarna de rest.’

VAN DEN BOOGAARD « Da’s de meest verregaande vorm van symbiose, hé, iemand opeten? Ik kan er dan wel erg naar verlangen samen te vallen met mijn vrienden, maar zo’n kannibaal, die doet het toch maar! Daarom verdient die een prijs.»

HUMO Begrijp ik het goed dat jou bij een lezen van zo’n kannibalistisch verslagje een bewonderend ‘Waw!’ ontsnapt?

VAN DEN BOOGAARD « Als ik zoiets lees, ben ik me er heel erg van bewust dat hij zoiets doet en ik niet; ik héb het er alleen maar over. Maar als hij zijn laatste hapje op heeft, is die ander weg, voorgoed: dat vergeet hij op het moment dat hij aan het eten is. Díé fout zou ik nooit maken.

            » Maar dat opslokken van mensen, zoals een slang dat doet, je huid over een ander leggen, daar kan ik me wat bij voorstellen. Vraag je me wie ik ben, dan zou ik eigenlijk kunnen zeggen: ‘Ik ben Steven, ik ben Manon, ik ben Jan.’ Met veel denkwerk kan ik ze ook wel als aparte mensen zien, maar mijn gevoel zegt dat ze een deel zijn van mij. Ik ken geen grenzen.»

HUMO Dat lijkt me nog een vrolijk kannibalisme: misschien hebben zij er geen last van.

VAN DEN BOOGAARD « Ik was met Steven in Rio, ik voor de zoveelste keer, hij voor het eerst, en ik heb die jongen helemaal gek gemaakt: ik wilde hem in no time Rio laten zien, al mijn herinneringen in hem transplanteren. Snee maken, hop, alle informatie erin, rits weer dicht, en nu ben je zoals ik, nu vallen we samen. Dat kan niet, zoiets moet je een beetje rustig doen. Ik heb te symbiotische neigingen, dat is totaal niet goed. Dáárom wil ik in Berlijn tot mezelf komen.»

Gynaecoloog
voor mannen

HUMO Je citeert in je boek nog een vorm van geestelijk kannibalisme: ‘Iemand leren kennen betekent hem doden, letterlijk de schedel openbreken en kijken wat erin zit.’

VAN DEN BOOGAARD « Héél goed kijken, dat is wat ik wil, ja. Als je maar goed kijkt, dan kan je mensen helemaal doorgronden. Maar daar is wel ervaring voor nodig, en die heb ik. Ik heb mijn leven lang gekeken, ik ben een observeerder.»

HUMO Vinden mensen het niet bedreigend als je ze met hun ogen uitkleedt?

VAN DEN BOOGAARD « In eerste instantie wel, ja. Maar iedereen wil gezien worden, dus uiteindelijk is het de perfecte verleidingstechniek. Maar dat is niet het doel: ik kijk vanuit een wezenlijke interesse, om te weten te komen wie iemand ís.

            » Ken je de wereld van de open seksualiteit? In Berlin Mitte staat ergens een bunker, een heel naargeestig, vierkant gebouw, ramen dichtgemetseld. Vroeger, voor ik naar Berlijn kwam, werden daar sex parties georganiseerd, en daar gingen duizenden mensen naartoe. Ik heb vaak horen vertellen over de rijen die daar aanschoven, en er was iedere keer één portier, die heel goed kon inschatten: ‘Jij niet, jij wel. Jouw T-shirtje is te blauw. En kom jij ook maar eens een andere avond.’ Da’s nogal een verantwoordelijkheid, om ervoor te zorgen dat tweeduizend mensen samen seks kunnen hebben, dan moet je ontzettend goed kunnen selecteren, ontzettend goed kunnen kijken dus - daarom vertel ik dit. Goed kijken fascineert me, meer dan wat zich daar in die bunker afspeelde.»

HUMO Heeft het rijke Berlijnse homoleven meegespeeld in je keuze voor deze stad?

VAN DEN BOGAARD « Helemaal niet, dan had ik beter in Amsterdam kunnen blijven, en ook Brussel heeft mogelijkheden zat. Nee, alsjeblief, ik wil vanalles om me heen, oude mensen, jonge mensen, mannen en vrouwen, geen enkel getto.»

HUMO Is Berlijn een goeie kijkplek voor je?

VAN DEN BOOGAARD « Ja, aan de oppervlakte zijn de Duitsers wel afwerend en afstandelijk, maar eigenlijk willen ze erg veel vertellen. Vanmiddag nog, ik stond ergens te lunchen, mooi weertje, maar er stond een mevrouw met een regenjas aan. ‘Verwacht u een buitje, mevrouw?’ En, hop, we waren vertrokken; nog voor haar bordje leeg was, had ze haar hele liefdesleven verteld.

            » Eerlijk gezegd, in België was ik een beetje uitgekeken. Brussel werd me te eng. Ik zag mensen denken: o, daar loopt de schrijver, weer op zoek naar een ervaring of zo. Hier weet niemand dat ik een schrijver ben. Ze denken dat ik een buurtgek ben, een kerel die altijd vrolijk is en de wereld wat wil oppeppen.

            » Met Berlijn is het centrum van mijn wereld verschoven. Ik zat toch wel erg vast aan de lijn Amsterdam, Brussel, Parijs - dat belevingswereldje. Ik had er het beeld bij van een boog, met een elastiek naar achter getrokken tot in Los Angeles, waar ik ook veel kom. Nu is de boog afgegaan, paf!, en ben ik in Berlijn terechtgekomen. En van hieruit kan ik weer verder naar het oosten, Polen, Rusland.

            » Ik was net met een boot vol schrijvers in Polen, de enige boot op de Oder, want er was te weinig water. Wat je daar zag: onbebouwde natuur, soms een visser die zwaaide. Heel sexy, zo’n leeg landschap. Margriet de Moor zat ook op die boot. Ik had, echt waar, nog nooit met iemand over de techniek van het schrijven gesproken, en nu had ik het plots met haar over witregels. Met haar kan je over vorm spreken, ze heeft een muziekachtergrond. Een heel diep, wezenlijk contact was dat. De eerste nacht na ons afscheid droomde ik van haar: in mijn droom was ze een gynaecoloog voor mannen en ze bekeek heel nauwkeurig mijn geslacht. Het geslacht is belangrijk, in die droom met Margriet, want dat is toch waarmee je schrijft.»

HUMO Wat bedoel je eigenlijk, Oscar?

VAN DEN BOOGAARD « Je schrijft vanuit je drift, ik tenminste. Schrijven is vormgeven aan je drift.»

Bonobo’s

HUMO Je vader is sterk aanwezig in je jongste boek.

VAN DEN BOOGAARD « Het heeft ermee te maken dat ik de leeftijd nader waarop hij mij verwekt heeft. Opeens ga ik me aan hem spiegelen: toen ik op kamers ging wonen, deed hij dat ook. Het huwelijk van mijn ouders liep ten einde en hij moest wat zoeken voor zichzelf. Hij was toen al met pensioen, en toen het vrije leven voor hem dan begon, begon dat ook voor mij: ik leef van mijn schrijven, en dat doe ik voor mijn plezier, dus heb ik het gevoel dat ik niet werk. Hij is nu tachtig, waant zich onsterfelijk, doet alleen waar hij zin in heeft.

            » Hij heeft het gevoel dat hij alles voor het eerst ervaart. Hij werd voor het eerst geopereerd toen hij 77 was, en zo’n opgewekte patiënt hadden ze in het ziekenhuis nog niet gezien: ‘Ik heb dit nog nooit meegemaakt!’ dacht hij voortdurend. Ik herken dat, want het is mijn groot geluk als schrijver dat ik voortdurend opnieuw begin, ik ben niet in het ultieme boek geïnteresseerd.

            » Mijn vader is ook een zwerver, dat is belangrijk om te begrijpen wat ik doe. Op zijn zestiende, toen de oorlog uitbrak, is hij met een bootje naar Engeland gegaan. Hij is opgeleid tot paracommando, dan met de parachute gewoon losgelaten boven Indonesië. Hij kwam op Java terecht, begon tegen de Jappen te vechten, had er algauw geen zin meer in, ontmoette een meisje, maakte een kind, is dan samen met alle Nederlanders weggestuurd. Toen kwam hij opeens in Nederland terecht en dacht: wat moet ik hier? Hij ging voor prins Bernhard werken, ontmoette mijn moeder en ging meteen met haar naar Suriname. Ik heb niet geleerd dat je op één plek moet blijven.

            » Van mijn moeder heb ik vooral geleerd dat alles fictie is, want ze was in een voortdurende staat van delirium. Dat is mijn waarheid: dat alles voortdurend in een delirium beleefd kan worden, en dat je je voortdurend verplaatst. Blijf je ergens te lang, dan wordt het broeierig en viezig, en gaan mensen aan je zitten: ‘Je hebt altijd gezegd dat je in die winkel nooit boodschappen zou doen, en ik zag je daar vanmiddag met je karretje!’ Wegwezen, denk ik dan.»

HUMO ‘Een voorbeeld heb ik nodig,’ staat er in ‘Inspiration Point’. Maar dan denk je niet meteen aan schrijvers?

VAN DEN BOOGAARD « Ik lees heel graag biografieën van kunstenaars. Ik raak niet uitgekeken op een fotoboek van Picasso dat ik al heel lang heb. ‘Viva Picasso’ heet het. Je kent dat soort foto’s wel, Picasso als oude man met zijn dikke buik, grijze haren op z’n borst. Hij heeft grote onderbroeken aan en hij loopt op blote voeten. En hij is altijd aan het werk. Is hij aan het eten, dan begint hij iets te maken met de graat van een vis. Hij speelt met zijn dieren - er lopen geiten en teckels rond - hij heeft fantastische vrouwen om zich heen, daar maakt hij een portret van, en intussen speelt hij ook met de kinderen en koopt hij een nieuw kasteel. Die gulzigheid, die onuitstaanbare lichtheid, dat is echt een voorbeeld. Een levenskunstenaar.»

HUMO Onlangs schreef je in De Standaard Magazine een lijstje van je favoriete boeken. Behalve je klassieke voorkeur voor Marguerite Duras en Witold Gombrowicz dook daar ook een boek over de bonobo van Frans de Waal in op. Je hebt ook al eens een toneelstuk over bonobo’s geschreven: wat heb je met die aap?

VAN DEN BOOGAARD « Ik had met mijn vader niet veel gespreksonderwerpen, maar apen zijn er altijd één geweest. In Suriname waren er veel, in Indonesië had hij er veel gezien. Ook al weet hij dat ik geen tv heb, als er ergens apen op tv zijn, belt hij me.

            » De bonobo’s zijn de perfecte metafoor voor het verlangen naar samenzijn. En dan gaat het niet alleen over neukeneukeneuken. Dat voortdurend aan elkaar zitten, in groepen leven, en een soort toch wel constante seksualiteit, dat spreekt mij aan. Ik denk dat mensen daar constant mee bezig zijn: dat ze kleren aanhebben en over literatuur praten, wil niet zeggen dat het niet over seksualiteit gaat.

            » Vooral de foto’s in dat boek vind ik bijzonder: je ziet twee bonobo’s in elkaars ogen kijken, van die bolle apenogen die helemaal in elkaar lijken te zitten, ongelooflijk; en dan is er ook dat aapje dat voorbij twee vrouwtjes loopt die met hun hele dikke schaamlippen op elkaar liggen, en dat aapje voelt daar en passant zo eens aan, heel grappig!»

Puur soul

HUMO In ‘Inspiration Point’ maak je een ander soort lijstje: je schrijft een boel namen neer die samen iets over je identiteit kunnen vertellen. Het verrassendst vond ik nog dat Clijsters en Henin in dat lijstje mogen meespelen.

VAN DEN BOOGAARD « Ik ben een tweeling, en die zijn uitstekend in de kleine balsporten, zeggen ze. Tennis interesseert me meer dan teamsport: iemand tegenover iemand, die psychologie, de inventiviteit, de snelheid, hoe je omgaat met achterstand... waanzinnig interessant. Maar nu Clijsters en Henin het minder goed doen, ben ik ze ook heel ontrouw, kijk ik weer naar andere mensen uit. Dat is heerlijk aan passief sportbeleven: je kan eindeloos opportunist zijn.»

HUMO Sylvia Kristel zit uiteraard ook in het lijstje. Ooit was je echt uit op een ontmoeting met haar; inmiddels is ze een vriendin, en je kondigt zelfs een boek over haar aan. Komt dat er ook echt, denk je?

VAN DEN BOOGAARD « Zeker: een boek als een ode aan haar, geen roddelboek. Ik heb voor het eerst een film met Sylvia Kristel gezien op mijn zestiende, samen met mijn vader in Parijs. Een soort pop zag ik in haar, in positieve zin, iets waar je dingen in kan projecteren. Andere mensen zullen zeggen: ze is een doodgewone vrouw, en ze heeft problemen. Maar ik zie graag in mensen wat ik erin wil zien.»

HUMO ‘Ik vind je het mooist als je niet in Nederland bent,’ schrijf je haar in je boek.

VAN DEN BOOGAARD « Ja, dat is zo voor de meeste Nederlanders (lacht). In Nederland verliezen ze hun glans. Als ik Sylvia in Brussel ontmoette was het altijd feest, in Amsterdam niet. Nederlanders begrijpen niks van haar. Zij is één van de meest wijze mensen die ik ken, die vrouw is iets ontstegen, ze is in een soort nirvana, terwijl ze hier nog gewoon rondloopt. Puur soul. Ze veroordeelt niets of niemand, ik ken niemand die zo is - wij hebben toch allemaal last van onze oordelen en meningen?

            » Misschien speelt ook mee dat ze een enorm respect voor intellect heeft, hoor, want waar vind je dat nog? Als ik haar een paar maanden niet belde, terwijl ze heel ziek was, zei ze: ‘Da’s helemaal niet erg, want jij bent een schrijver.’ Ik was in Los Angeles met haar, met Manon die met haar een film draaide, en als de werkster opdaagde, of als er telefoon kwam op mijn kamer, kon ze heel wijsneuzig zeggen: ‘The writer is at work!’»

HUMO Kristel is niet het enige icoon dat je bewondert. Wat heb je met iconen?

VAN DEN BOOGAARD « Iedereen heeft een beeld van Sylvia, en dus kan je er een gesprek over voeren: ze behoort tot ieders vocabulaire. Dat vind ik zo interessant aan iconen. Daarom hou ik ook van popliedjes die de hele wereld veroveren, hoe stompzinnig ze ook zijn: het feit dat ze ook in Sydney, Rio en Amsterdam gezongen worden, fascineert me. Dat vind ik ook het mooie van voetbal, want voetballers zijn natuurlijk ook iconen. Iconen houden de wereld bij elkaar.»

HUMO In je boek neem je ook de brief op waarmee je Patti Smith naar Brussel probeerde te lokken voor je Rimbaud-tentoonstelling eerder dit jaar. Blijkbaar een overtuigende brief, want ze kwam een concert geven.

VAN DEN BOOGAARD « Ze reageert altijd positief, heb ik achteraf gehoord.

            » Magische mensen bestaan écht, weet je dat, en Patti Smith is zo iemand. Ze is een soort priesteres, ze raakt geïnspireerd en kan opeens de moeder of de geliefde van Rimbaud worden, niet omdat ze dat speelt, maar omdat ze het ís. Ze kan nog ‘People Have the Power’ roepen en daar oprecht in geloven - ze is totaal niet cynisch geworden.

            » Na haar concert in Brussel had ik het idee: zij heeft deze zaal gezond gemaakt - kijken naar iets dat zo echt, zo vol is, is helend, denk ik. Ik geloof ook in dokters die mensen beter kunnen maken zonder ze open te snijden, niet altijd, maar het is mogelijk. Soms denk ik dat ik ook mensen beter kan maken zonder ze te opereren, maar dat is iets wat je bijna niet mag vertellen.»

HUMO Probeer toch maar, voor je dossier ter zaligverklaring op het Vaticaan.

VAN DEN BOOGAARD « Er was die blinde man hiernaast... (lacht) Nee, serieus: ik krijg wel reacties van lezers die me het gevoel geven dat ik hen geholpen heb, en ik vind dat belangrijk. Want ik wil niet het soort schrijver zijn dat alleen maar bevestigt: ‘Ik vind de wereld ook kut!’»

HUMO Weet je nog waarom je ooit bent gaan schrijven?

VAN DEN BOOGAARD « Omdat ik niemand was. Een advocaat in Brussel, kind van een alcoholistische ouder, alleen maar bezig met de ander, nooit met zichzelf; niemand dus. Als schrijver heb ik geleidelijk een ik gevonden - een regel, een verhaal, een boek, een identiteit.»

HUMO Geregeld heb je het in je boeken over de fantasie op te houden met schrijven. Waarom eigenlijk?

VAN DEN BOOGAARD « Misschien is het de verslaafde die graag eens hardop roept: ‘Ik ben niet verslaafd!’ Ik leef ervan, en daarom vind ik het uiteindelijk toch een net iets te aardse bezigheid.

            » Het zou wel goed zijn op een gegeven moment klaar te zijn. Schrijven is geen bezigheidstherapie, ik schrijf omdat ik iets zoek, en dan is het toch maar beter dat je ooit kan zeggen: ik heb wat gevonden, en nu stop ik ermee. Wat is er tragischer dan een schrijver die het begeeft met de pen nog in de hand? Het lijkt me heerlijk op een dag een oude man te zijn die niet meer hoeft te schrijven, die kan luisteren naar zijn vrienden, voor hen kookt, die het gevoel heeft door niets te worden afgeleid. Het schrijven heeft me gemaakt tot wie ik ben; de volgende stap is me te bevrijden van wat me bevrijd heeft.»

Mark Schaevers

terug naar boven

 

“IK WIL IETS ANDERS DAN TAAL;
IK WIL HET WIT, DE STILTE, IK WIL DAT HET LICHT IS.”

Het is bijzonder dat een toneelschrijver op vrijwel hetzelfde ogenblik twee van zijn stukken in première ziet gaan bij twee grote Nederlandse toneelgezelschappen. En het is des te opvallender als de auteur zijn naam heeft gevestigd als romanschrijver voor wie het toneel een betrekkelijk nieuw medium is. Dit gebeurt met schrijver Oscar van den Boogaard, maar voor hem is die ontwikkeling eigenlijk vanzelfsprekend:

OvdB: “In mijn romans speelt dialoog altijd een belangrijke rol. Wat er tussen mensen gebeurt is voor mij het belangrijkste, dat is waar ik romans voor gebruik. Het is altijd ik en de ander. Een van mijn thema’s is samen zijn, samenvallen met de ander en in het theater gebeurt dat letterlijk. Een roman schrijf je in je eentje; het is eenzaam werk. Ik wil graag dingen samen met andere mensen maken. Dus voor mij was het volstrekt logisch om toneelteksten te gaan schrijven. Voor mijn eerste stuk: Lucia smelt ben ik zelf ooit afgestapt op Steven van Watermeulen en Sara de Roo om te zeggen dat ik graag iets voor hen wilde schrijven. En mijn tweede, Sterremix schreef ik op verzoek van het jonge Belgische gezelschap SKaGeN. Ik heb al mijn toneelteksten tot nu toe geschreven met de mensen die het gingen spelen in gedachte. Voor Lava Lounge mocht ik letterlijk uitkiezen voor wie ik schreef, want er moesten mensen van buiten het Rotheater voor worden aangetrokken. Bij De nacht van de bonobo’s bleef de cast langer onzeker, maar de groep mensen waarover ik schreef zijn mensen die ik zelf goed ken.”

Lucia smelt leverde het materiaal voor Van den Boogaards nieuwste roman Een bed vol schuim, die in september 2002 is verschenen. En zijn toneelteksten worden vaak doorsneden door literaire beschrijvingen van de omgeving of de gevoelens van de personages. Hoe scherp is eigenlijk de scheidslijn tussen roman en toneeltekst?

OvdB: “Lucia smelt begon met een ervaring die ik kwijt moest en daar heb ik een dialoog van gemaakt. Maar los van de dialoog had ik nog veel gedachten en bijgedachten. Het gaat over mentale werelden, over eenzaamheid. Ik heb dat andere materiaal opgeschreven en zo is het meer een roman geworden. Nu geef ik het niet als toneeltekst uit, maar als roman.

Ik vind de concentratie op wat er niet in de tekst staat, zoals acteurs die hebben, heel fijn. Ik houd erg van ‘tussen de regels door schrijven’, van niet met woorden vertellen wat ik vertel. Ik heb een moeilijke verhouding met taal. Ik moet ervoor uitkijken; het is op een bepaalde manier gemakkelijk voor me. Een roman van duizend pagina’s schrijven is geen probleem, maar ik wil iets anders dan taal, ik wil het wit, de stilte, ik wil dat het licht is. Dat is de essentie en die probeer ik te vinden in het theater. Ik wil geen ideeën die door personages worden uitgesproken; ik zie de rol van de acteur niet voor me. Maar ik wil wel met mijn tekst de acteur tot spelen aanzetten. Ik beschouw de acteur eigenlijk als de ideale lezer, maar dan één waar ik naar kan komen kijken.”

De essentie van theater: een gezamenlijke ervaring van een groep mensen op één plaats en één tijdstip, staat ook in directe verbinding met het voornaamste thema in Van den Boogaards werk. Dat is het verlangen naar eenwording.

OvdB:“ En het omgekeerde: het losmaken en het opeisen van je eigen identiteit. Het zijn twee tegelijk aanwezige bewegingen, het opeisen van de ander en het oplossen in de ander. Het is nooit een toestand, maar altijd een traject erheen. In Lava Lounge en De nacht van de bonobo’s is sprake van een tegengestelde beweging: in het eerste stuk weg uit de familie waar je vandaan komt, de kleur waar je je aan moet ontworstelen en in het tweede de weg naar de familie van vrienden waar je naar op zoek bent, de kleur waar je in terechtkomt. Het gaat over eenzaamheid en het zoeken naar geborgenheid.”

Guy Cassiers vroeg om een stuk, geïnspireerd op de film Stalker van Tarkovski, waarin Stalker een man is die anderen helpt om hun ultieme gelukservaring te verwezenlijken.

OvdB: “ Ik heb daar mijn eigen verhaal over verteld: hoe een ik in opstand komt om een eigen identiteit te veroveren op een moeder, een zusje en een vriendin. Hij leeft zo in de hoofden en de harten van anderen dat zijn leven in feite neerkomt op een soort groepsverkrachting. Hij stikt in de identiteit van de anderen en moet zich uiteindelijk wel losmaken en zichzelf opeisen. Lava Lounge is een café in Los Angeles, een plek waar mensen hangen en wachten. Het is een beeld voor een stuk waarin de personages niet bewegen en hun omgeving wel. Guy is niet alleen geïnteresseerd in dialoog, maar ook in beschrijvingen. Dus heb ik me gepermitteerd om heel romanesk te schrijven. Ik maak ook zonder scrupules collages van teksten die ik eerder heb geschreven. Als ik iets een keer heel precies, heel goed heb opgeschreven, moet ik dat niet opnieuw willen doen. Ik gebruik ook ready mades: mijn horoscoop, of zoals in De nacht van de bonobo’s de tien regels voor perfect geluk. Ik ben er van overtuigd dat mijn schrijven uit zo’n sterke bron komt, het is zoiets hechts; het verdraagt wel om vermengd te worden met dingen uit de buitenwereld die ik gewoon tegenkom.”

In De nacht van de bonobo’s gaat het niet om een identiteit die ondergesneeuwd is, maar om een gezamenlijke identiteit van een groep mensen; een identiteit waar ze naar verlangen, maar die alleen in een roes beleefd kan worden.

OvdB: “Het zijn oerbewegingen: weggaan van huis en thuiskomen. Je ontworstelen aan je ouders en op zoek gaan naar een surrogaatfamilie. Voor de personages in de bonobo’s is de roes een middel om samen te komen, om de pijn te vergeten, om licht te worden. Het zijn zeven satellieten, maar de planeet die hun baan bepaalt zien we niet. Voor Gerardjan wilde ik een stuk schrijven dat eigenlijk alleen een atmosfeer is, omdat ik vind dat hij daar als regisseur heel goed in is. Ik vond het fantastisch dat één van de acteurs me bij het lezen te hulp schoot door expliciet te benoemen hoe het stuk verwijst naar ecstasyervaringen. De oogbol waarvan de pupil zo groot wordt en er veel meer licht door naar binnen kan komen. De personages gaan letterlijk de berg op om daar te komen waar ze licht kunnen zijn. De blik die bonobo’s uitwisselen tijdens het bedrijven van de liefde is de ultieme blik waar iedereen naar verlangt. Bonobo’s lijken daar niet alleen heel goed in te zijn, ze bouwen er hun sociale systeem op. Het is iets anders dan seksfestijnen van mensen, die donker en anoniem zijn. Het bewustzijn van elkaar, het in je laten kijken, samen met de totale overgave; in mensentermen spreek je dan over grote liefdes. Uiteindelijk heeft het allemaal te maken met het onmogelijke, dat wat er niet is. En dat is het enige wat mij interesseert.”

Janine Brogt

terug naar boven

 

Promiskuität bildet!

Zuerst hatten Sie geplant, Ihren neuen Roman Liebestod ‘Dezemberhunger’ zu nennen.

Ich fand das Wort in Die Winterreise von Jean Paul. Es beschreibt den Augenblick im Jahr, wenn die Herren von ihrem Berg ins Tal hinaussteigen, um mit Menschen zu reden, den Augenblick im Jahr, an dem man nicht alleine sein will, sondern mit anderen zusammen-kommt. Zu Beginn konzentrierte sich meine Geschichte auf den Augenblick, das die einsamen Figuren in den Armen anderer verschwinden wollen. Erst später fing das Buch mit der Swimmingpool-Szene im August an; mein Buch erschien in Holland im März, und so dachte ich, ‘Dezemberhunger’ sei als Titel nicht gerade praktikabel. Ich überlegte: mein Roman handelt von der Liebe und dem Tod, also warum nicht Liebestod? Aber im Herz dieses Romans ist noch immer das Dezemberhungergefühl zu finden.

Ein Wort, das sich als Frage in den Text einnistet. Beginnen Ihre Texte oft so?

Ja, ein Wort, ein Bild. In Julia’s Herrlichkeit war es ein Glas Blütenstaub von Wolfgang Laib, in diesem Buch eine Flasche Wodka, die ich von meiner polnischer Putzfrau zu Weihnachten bekommen habe. Sie trinkt so ähnlich wie die Flasche, die der Offizier in Liebestod im Mädchenzimmer trinkt : eine durchsichtige Flasche, die auf dem Etikett eine rauchende und trinkende Herrengesellschaft zeigt und in Weihnachtspapier eingepackt war, das paradiesische Szenen mit um ein Feuer gescherten Tieren und Zwergen zeigte.

Das Buch beginnt mit einem Zitat aus einer Seefahrergeschichte des polnische Autors Witold Gombrowicz, die sich wiederum an den Geschichten von Joseph Conrad reibt, der ja auch aus Polen stammte. Eine Geschichte reibt sich an einer anderen, um selbst eine Form zu finden?

So geht das. Ich glaube, das wir alle an den Bildern von anderen weiterbauen, weiter interpretieren. Diese Geschichte von dem Matrosen, der das Ende eines Taus verschluckte und infolge der wurmartigen Tätigkeit der Speiseröhre am Tau den Mast hinauffuhr, hat mich immer fasziniert. In Liebestod gleichen die Figuren diesem Matrosen, sie haben a gesagt und jetzt sollen sie auch b, c, etc. sagen. Sie werden hochgezogen, und jetzt hängen sie ganz alleine oben am Mast. Sie können nach Veras Tod nur folgen, nicht mehr selbst eingreifen, nichts ändern, oder können Sie das doch? Haben Sie die Freiheit oder nicht, das ist die ewige Frage.

Die Freiheit der Figuren ist so allem schon durch das Dasein der anderen Menschen bestimmt : der Person gegenüber stülpt einem eine Form über, die dann zur Geschichte gerinnt.

Das ist das Grausame am Leben, dass wird jemanden brauchen, um selbst jemand zu sein. Deshalb hat unser Gegenüber Macht über uns. Glücklicherweise können wir uns aussuchen, mit wem wir zusammen sein wollen, aber nicht immer. Aber wie kann ich ich sein, wenn der andere nicht die Fähigkeiten, die Erfahrung, das Vokabular, hat, um mich zu erkennen.

Das muss nicht notwendigerweise negativ sein, jemand anderes kann dich auf eine Weise sehen, die nicht weniger wahr ist, denn auf dem Feld gibt es keine Wahrheit. Und das gibt dir die Ahnung, du könntest auch jemand anderes sein.

In Beziehungen gibt es immer wieder den Moment, wo man den anderen loswerden möchte, weil man sich selbst ändern möchte – jemand anderes würde dich neu sehen. Es ist schwer, sich innerhalb einer Beziehung zu verändern. Ich selbst denke oft, ich kann jeden Morgen neu beginnen, dass ich ständig neugeboren wäre, aber dann erinnern dich die anderen daran, dass du schon auf der Welt bist, und das als eine festumrissene Person. Deshalb mag ich Fremde, sie lassen dich ein anderer werden. Sie fragen nach deinem Namen, und der kann für jeden Fremden anders lauten. Promiskuität bildet!

Aber in einer Identätskrise kann nur ein guter Freund dir deinen Namen und deinen Geburtsort sagen – das ist der Vorteil an alten Freunden. Als Schriftsteller kannst du mit jedem Satz neu beginnen.

Und die Geschichte entsteht, indem sie sich dem Sich-Überstülpen durch eine andere Geschichte einzieht. Wie manche der Geschichten von Borges ja nicht allein Masken des Erzählers sind, sondern eine Geschichte die sich wie eine Maske zum Gesicht einer anderen Geschichte verhält: die metaphysische Erzählung von der platonischen Doppelwelt im Spiegel gebärt aus einer skurrilen Marginalie einen ganzen “Roman”- nicht im Umfang, aber im weiten Wurf der Fiktion.

Ich denke tatsächlich, dass wir die Fiktion brauchen, um noch einmal auf die Welt zu kommen, die Dinge neu zu definieren, um unsere Identität ständig neu zu bestimmen, um hinter die Masken zu blicken. Die Fiktion ist ein Weg, den alten Festschreibungen aus dem Weg zu gehen. Die Fiktion ist eine Art, Fremden zu begegnen, die dich erkennen lassen, was dir an dir selbst unergründbar blieb.

Aber das hat natürlich nicht nur Auswirkungen für das Erzählen, es ist auch der erste Passus des “ferdydurkistischen” Existentialismus von Gombrowicz. Lange, bevor Sie aber über den Weg liefen, hatten Sie das selbst erlebt.

Ich lebte mit einer Mutter zusammen, die Alkoholikerin war. Die einzige Art, dies zu überleben, war, herauszufinden, wer sie gerne sein wollte. Als Kind konnte man nicht weglaufen, so versuchte ich, ihre Wünsche zu erfüllen, ihr ständig zu vergeben und meine eigene Stimme, so zornig und traurig sie war, beiseite zu schieben. Als ich siebzehn war, konnte ich aus dem Haus heraus und in die weite Welt. Aber ich hatte nich gelernt, mit einer eigenen Perspektive zu denken, ich sah nur die Wünsche der anderen und fühlte mich als niemand.

Durch das Schreiben kann ich den Charakteren der anderen leben (sogar in mir, der ein Fremder ist). Nun bin ich die zornige Stimme und die sehnsüchtige- sehnsüchtig danach zu verstehen, wer ich bin und was die Welt ist. Ich glaube, ich habe den Wunsch, jeden Morgen neu geboren zu sein, weil dann die Antwort auf die Frage, wer bin ich, weniger kompliziert ist. Ich bin, was ich heute tue, wen ich heute treffen werde – auf die Art kann man der Geschichte ausweichen. Und ich glaube auch nicht wirklich an Geschichte im Sinne von Historie, denn jeden Tag sehe ich, wie leicht sie durch einen vereinfachenden Blick gefälscht wird.

Dann wird die Fiktion aber zu einer Lebensweise, die durch Form bestimmt wird – nicht die Form in einem ästhetischen Sinn wie in einem Roman, einem Sonnett oder einer Ballade, sondern durch eine anthropologische Form.

Ja, die Fiktion ist eine Art, wirklich zu sein, einen Moment da zu sein als ein Mensch, der sich den anderen entwindet, die ihm seltsame Masken aufsetzen wollen. Es geht nicht darum, was du sagst, sondern dass du sprichst. Form ist für mich nahe bei der Stimme, die ihr Dasein auf der Welt ausdrücken muss, eine verängstigte, verrückte Stimme, die keine Antworten hat, keine Definitionen, aber da draussen in der Welt sein will, eine verrückte, empfindsame Welt.

Ohne Form wäre die Welt eine Lüge. Mein Leben ist, als ob man durch ein Magazin blättert. Ich muss schreiben, um eine Form zu finden, jemand zu sein und die Welt etwas sein zu lassen.

Frankfurt am Main/Brussel 2001
Door Hans-Jürgen Balmes, redacteur bij S. Fischer Verlag in Frankfurt.
Vorig jaar verschenen in de bundel 'Mein Erstes Buch' waarin gesprekken met 25 auteurs, onder wie Jorge Luis Borges, Ossip Mandelstam, Joseph Brodsky, Thomas Mann, Elias Canetti, Bruce Chatwin, Alain de Botton, Paul Valery, Franz Kafka en Virginia Woolf.

terug naar boven