‘Wie ben je?’
‘Ik, ik, nee.’
‘Een naam.’
‘Ik, ik, ik kan niet.’
‘Waar kom je vandaan?’
‘Ik…’
‘Een plaats.’
‘Ik kan het niet zeggen.’
‘Je moet het zeggen.’
‘Maar, ik weet het niet.’
‘Een plaats.’
‘Ik wil niet.’
‘Je moet.’
Een nachtmerrie. De biografie. De feiten brengen de waarheid om.
‘Wie ben je?’
Ik ben, ik ben… om mij te kennen moet je mijn vrienden kennen en mijn geliefden en weten welke boeken ik goed vind, en welke films en welke kunst en architectuur en van welke landschappen ik houd en kleren en kleuren en van welk eten ik houd, op welke momenten, je moet weten waar ik geweest ben en er geweest zijn toen ik er was, om te weten wie ik ben zou je door mijn ogen naar de wereld moeten kijken.
‘Wie ben je?’
De gesprekken die ik voer, de dingen waarover ik fantaseer, waarover ik heb nagedacht en die ik heb gevoeld, ik ben waarover ik heb gehuild en waar ik naar heb verlangd, hoe zou iemand mij ooit kunnen begrijpen?
‘Waar gaat het boek over?
‘Ik, ik.’
‘U bent de schrijver.’
‘Het boek gaat over de periode dat ik het boek aan het schrijven was.’
‘Waar gaat het over?’
‘De dingen die gebeurden, de dingen die ik dacht, vanwie ik hield, wie ik haatte, het kunstwerk dat ik niet begreep.’
‘Ik wil het verhaal, mijnheer. Het verhaal in het kort.’
‘Ik kan het niet zeggen.’
‘Je moet.’
Een nachtmerrie. Het verhaal is voor de roman als de biografie voor de schrijver. De feiten brengen de waarheid om.
EENZAAMHEID
Een wereld die alles terugbrengt tot de feiten. Nog liever dood.
VRIENDEN zijn mensen die je niet het gevoel geven dat je een dwaas bent. Ze vragen niet wie je bent, wat je doet. Je kijkt samen naar de wereld. En als je je verloren voelt helpen ze je eraan herinneren wie je bent. Samen geven we onze levens vorm. Eerst hebben we bij de griek gegeten en daarna zijn we naar de voorstelling van Thomas Hauert in het Kaaitheater gegaan en omdat we ons daarna zo goed en licht voelden zijn we met z’n vieren naar de bovenstad gereden en hebben we oesters gegeten en champagne gedronken.
We spreken af dat we later allemaal samenkomen. Maar eerst het leven door met de huisjes en de dingetjes en de avonturen, die ons misschien tijdelijk uit elkaar drijven, maar later komen we in ieder geval allemaal samen. We zetten onze bedden voor de ramen en kijken uit over de stad.
Soms verlang ik naar een vreemdeling. Die kan je het gevoel geven dat je opnieuw geboren bent. Hij vraagt wie ik ben en ik verzin een naam en misschien verzint hij een naam, en hij vraagt wat ik doe, en ik zeg wat ik op dat moment denk, en hij doet hetzelfde, het maakt niet uit wat we zeggen, zolang we elkaar maar helemaal begrijpen.
Voor een kind bestaat de wereld uit zijn huis, dan verwijden de grenzen zich tot de tuin, de straat, later tot de weg naar school, de stad, het hele land. De wereld van een volwassene, zijn ruimte, wordt bepaald door zijn verlangen de wereld te begrijpen. Ik kan mij niet afsluiten. Mijn verlangen is onbegrensd. Op aanraden van een vriendin stel ik me een berg voor in mijn hoofd en klim naar de top. Ik kijk uit over een stukje van de wereld. Het is vredig en overzichtelijk. Ik moet dit beeld vasthouden.
Ik ben een tweeling, het is goed om op twee plekken te wonen, zeg ik tegen mezelf. Vroeger dacht ik dat het ook goed was om twee geliefden te hebben. Brussel combineer ik sinds kort met Antwerpen. De Boomse Steenweg kan ik dromen. Soms weet in niet meer welke richting ik oprijd. In ieder geval naar huis. Ik had nooit aan Antwerpen gedacht totdat we dit penthouse zagen. De verkoper noemt het Los Angeles. Jaren zestig architectuur, een panoramisch uitzicht, grote terrassen, wonen in het licht.
Boven het zwembad, de daken van de appartementen, de toppen van de palmbomen, de berg, een kronkelig zandpaadje, daarboven de zon, ik klauter omhoog, ik verhef me boven de huizenblokken, de reclameborden, de wegen, de stad verandert in een plattegrond, links het Hollywood Sign en het Griffith Park Observatory, daarachter de bergen, de sneeuw, recht voor mij de wolkenkrabbers van Downtown, rechts, achter Century City, de ijle rand van de oceaan, de scheiding tussen aarde en hemel, ik hoor gesnuffel van honden, gehijg van joggers.
Ik denk aan de Amerikaan die een paar jaar geleden bij mij in Brussel logeerde. Ik nam hem voor een dag mee naar Knokke. ‘s Avonds voor het slapen gaan zei hij: ‘I never knew Brussels had a seaside.’ Ik moet in andere modellen gaan denken. België zien als een grote stad. Knokke ligt daar bij Santa Monica. En Antwerpen hier in de Hollywood Hills en achter mij in the Valley ligt Brussel. Over de Boomse Steenweg is België helemaal Los Angeles, zeker op zo’n mooie dag als vandaag. Lichtborden, winkelparadijzen en stoplichten. Ik mis alleen een Starbucks. Ja, bij Boom zou zeker een Starbucks moeten komen. Een tussenstop voor een caffé latte met een blueberry muffin.
Eigenlijk wonen wij niet in Antwerpen. We wonen erboven. Het is een bungalow in de lucht. Mijn Brusselse vrienden komen langs. Het is voor hen een hele onderneming. Ze zijn verrast. Het zou iedere mogelijke stad kunnen zijn. Een vriendin zegt: ‘Als je hier woont, woon je overal.’ De zon gaat onder in de Schelde, luchtballonnen drijven voorbij, rood, geel, paars lossen op in donkerblauw, lichtjes flikkeren aan, de stad schittert, lijkt vloeibaar, de zee. We staan aan de top van de wereld maar de top is een relatief begrip zolang er ruimte is.
Yuri Usachev schreef in het dagboek dat hij bijhield in Mir Space Station: ‘Als je op de aarde neerkijkt overspoelen interessante indrukken de geest. Je hoort of leest vaak dat de aarde fragiel en weerloos is, dat haar atmosfeer er omheen is gewikkeld als een delicaat laagje, maar ik ben het er niet mee eens. Voor mij lijkt de aarde groot, enorm, trots, majesteitelijk, in harmonie met de kosmos. Naast de aarde voel je je niet als een stofdeeltje, zij onderdrukt je niet, integendeel, het is alsof je deel van haar uitmaakt, het feit dat zij daar beneden onder jou drijft heeft een eigen muziek die moeilijk in woorden is uit te drukken. Je hebt niet het gevoel dat jij boven de aarde vliegt maar dat de aarde onder jou drijft.’
Op het eind van de avond zie ik mijn vrienden vanuit mijn raam in hun autootjes de tunnel induiken. Het lijkt ruimtevaart. Als ik op mijn tenen sta zie ik ze zometeen in Brussel aankomen. Ik moet denken aan de walsmuziek in Stanley Kubricks’ film ‘2001, a Space Odyssey’. Vredig en sierlijk. Een ultiem overzicht.
In het begin lijkt een nieuwe geliefde alleen in de wereld te zijn, je ziet hem of haar los van alles en iedereen, verlicht, verheven, je kunt in hem of haar zien wat je wilt, maar weldra blijkt de geliefde helemaal niet alleen te zijn, er zijn vrienden, ouders, broers en zussen. Je moet ze er allemaal bijnemen, goedschiks of kwaadschiks, een liefde heb je nooit voor jou helemaal alleen.
Omgekeerd denk je aanvankelijk ook dat jij alleen tegenover jouw geliefde staat. Je hebt het gevoel dat je opnieuw geboren bent. Maar weldra komen jouw vrienden en familieleden. Hun nieuwsgierigheid, ideeën en commentaar helpen je uit je droom. De tijd dat je met z’n tweeën op de wereld bent duurt veel te kort.
In het begin denken de geliefden alleen in het moment te leven. Het eeuwige heden. Maar dan opeens blijkt er een verleden te zijn: tijd die je niet met elkaar hebt doorgebracht, wel met anderen, de ex-geliefden. Sommige mannen en vrouwen zijn jaloers op het verleden van hun geliefde, de ex-geliefden lijken even reeël als de geliefde zelf. Ik had een tante die het niet verdroeg dat haar man in het mortuarium lag opgebaard naast een vorig lief. Ze week niet van zijn zijde tot hij onder de grond werd gestopt. Maar zelfs toen was ze nog niet gerust. Haar jaloezie volgde hem tot in de hemel en was groter dan haar verdriet om zijn dood.
Niet alleen het verleden van een geliefde maar ook zijn of haar toekomst kan een bron zijn van jaloezie. Er was eens een oude zieke man die zo bang was dat zijn vrouw na zijn dood een nieuwe man zou vinden dat hij niet wilde sterven, hij overleefde haar, kreeg een opleving en ontmoette de vrouw van zijn leven.
Mensen zijn veel diffuser dan ze lijken, een huwelijk kan daar niets aan veranderen. Mijn vader verwekte bij zijn eerste vrouw nadat hij van haar gescheiden was en zij was hertrouwd, minstens twee dochters, de liefde liet zich niet door besluiten stopzetten en de passie evenmin. Mijn moeder stelde me op een dag voor aan haar ex-verloofde en ik kon zien dat het de man van haar leven was. Mijn ouders scheidden maar toen mijn moeder ziek werd was mijn vader de eerste om haar te verzorgen. En mijn moeder die mijn vader nooit meer terug had willen zien liet hem toe tot haar laatste snik.
De dag dat je van iemand scheidt neem je niet alleen van hem of haar afscheid maar ook van zijn familie. Dat is een triest feit. Ik wil geen afscheid nemen. Ik zit in de auto op de achterbank naast mijn ex-geliefde. Aan het stuur zit mijn ex-schoonvader en daarnaast zijn ex-vrouw, mijn ex-schoonmoeder. Wij zijn samen op weg naar Engeland. We laten elkaar de kadootjes zien. Ik heb een zacht poppetje bij me zonder ogen. Mij ex-geliefde een streepjes kruippak. Mijn ex-schoonmoeder een jurkje en mijn ex-schoonvader lakentjes. Hij heeft ook een cadeautje bij zich van zijn nieuwe vriendin, die hij onlangs in het restaurant ontmoette terwijl hij met zijn ex-vrouw hun veertig jarig huwelijk vierde, het is een konijn met hele lange benen. We rijden door prachtige landschappen, bereiken het huis op de bergtop. Ik zie schapen, kippen, paarden, een waterbronnetje, in de verte de zee. Mijn ex-schoonbroer loopt naar buiten en die oude mensen daarachter moeten zijn schoonouders zijn. Hij leidt ons naar de slaapkamer van zijn geliefde, ze ligt in haar bed, komt lachend overeind, ik zie mijn ex-schoonouders stralen, in de armen van hun schoondochter hun eerste kleindochter, een prachtig kindje, half Pajots, half Welsch. Ze heet Manon. We mogen haar om beurten vasthouden. Ik ben haar ex-oom avant la lettre. Achter haar door het raam wordt het donker. Ik bel mijn geliefde in België om te zeggen dat we goed zijn aangekomen.
In een ruimte trillend van licht lopen lange magere vrouwen met kaarsrechte rug, het bekken naar voren, de armen strak omlaag, ze lopen sierlijk, als antilopen, kwetsbaar, op elegante hoge schoenen, ze lopen niet, ze schrijden, ijlen, is dit een droom? De blik in hun bleke gelaat is verblind, of gericht op een andere wereld, zien zij wat wij niet zien? Ze zijn gehuld in dunne fijne stoffen, wit, zand, parelmoer, bleekblauw, die de lichamen omhullen als een koele bries, het is alsof de vrouwen lopen door een woestijn op het midden van de dag, het is een processie die voor onze ogen voorbijtrekt, trillend als een fata morgana, de zon is stil blijven staan, de tijd gaat niet verder, wij houden onze adem in, zijn de vrouwen in een bovenwereld terecht gekomen en hebben zij ons meegenomen?
Een overbelichte wereld. De jonge Meursault loopt over het strand, de zon verplettert, breekt in stukken op het zand en de zee, de schittering van het water is ondraaglijk. L’Etranger van Camus. In de verte bij de bron de arabier, zijn beeld danst voor zijn ogen in de brandende lucht, het geluid van de golven klinkt lui, de arabier beweegt zich niet, Meursault zet een stap naar voren, alsof hij zich van de zon wil bevrijden, de hitte vermengt zich met angst of verdriet of woede of haat, de arabier trekt zijn mes, alles wankelt, de zee voert een dichte vurige ademtocht mee, de hemel gaat in zijn volle breedte open en vuur regent neer, heel het wezen van Meursault trekt zich samen en zijn hand grijpt krampachtig de revolver beet, de spanveer geeft mee, hij voelt de gepolijste onderkant van de kolf en dan, met het tegelijk droge en oorverdovende geluid, begint alles. Meursault schudt het zweet en de zon van zich af. Hij begrijpt dat hij het evenwicht van de dag heeft verstoord, de uitzonderlijke stilte van het strand waar hij gelukkig is geweest.
Ik ben bang in de TGV en bang in de metro, op plekken waar veel mensen samen komen kijk ik bezorgd rond, soyez attentifs, ik probeer de twee donkere ogen tegenover mij te interpreteren, voeren ze oorlog? Waarom kijken ze op mijn horloge, is mijn laatste uur geslagen? Het is irrationeel, ik voel me niet meer veilig, ik spreek mezelf toe, veiligheid is nooit vanzelfsprekend geweest, ik heb vanzelfsprekend gevonden wat niet vanzelfsprekend is, ik voel me toch geschonden, iets is van mij afgenomen. Parijs is op een zonnige dag als vandaag metaalachtig, glimmend, weerspiegeld alle verlangens en angsten, van het dak, op een etalegeruit, via een achteruitkijkspiegel, een dak, een bril, een vuilnisbak, een ruit, recht in mijn ogen.
Een man naast me mompelt dat de show niet coherent is, braaf, geen revolutie, ik vind dat hij ongelijk heeft, dingen die er ogenschijnlijk eenvoudig uitzien, zijn dat misschien helemaal niet. Als mannen een ei leggen houden ze deze trots omhoog en roepen: ‘Kijk ik heb een ei gelegd!’ De hele wereld moet horen dat zij dit fantastische schitterende ei hebben gelegd. Het is geen ei maar een idee. Vrouwen leggen eieren.
Ze blijven voorbijkomen, in lange jurken, shawls om het hoofd, wijde broeken, banden van macramé om hun middel, topjes, camera’s flitsen, de muziek is weemoedig, vol verlangen, Schubert, de Carpenters, Dolly Parton, I will always love you, een herinnering aan een vorig leven, een vorige liefde, een volgende. Een herinnering aan dit moment. De vrouwen op het défilé van Veronique Branquinho zijn gevoelig, transparant, verlangend, het zijn vrouwen in een volgende tijd, de zomer van 2002, hoe zal de wereld eruit zien, waar zullen wij zijn, wat zullen deze vrouwen weten en wat zullen zij ons vertellen.
Ik denk vaak dat het leven mooi is, dat de tijd kruipt en dat vroeger lang geleden is maar dan opeens zie ik in de metro een moeder met twee kinderen, ze zijn bleek en moe. De jongen en het meisje zitten op hun moeders schoot, ze strelen haar, fluisteren in haar oor. Haar ogen zijn dof, op de grond gericht, ze mompelt voor zich uit. De kinderen lachen, lachen ze echt? Het meisje wenkt, de kinderen helpen hun moeder overeind, nemen haar bij de arm. Ik zie ze weglopen, ze banen hun moeder een weg. Ik weet hoe het verder gaat. Ik denk dat ik het weet. Ze zullen thuis een glas voor haar inschenken, en nog een glas, ze zullen zeggen dat ze de allerliefste moeder van de wereld is, de allermooiste, ze zullen dit herhalen, alsof ze zichzelf moeten overtuigen.
Ik herinner me een film van de Amerikaanse kunstenaar Sharon Lockhart. Een verlegen jongen, zeven, acht misschien, in onderbroek, onderworpen aan de blik van de camera, een vlek verschijnt op zijn huid, en nog een vlek, geen vlekken maar wonden, ze overwoekeren het kinderlichaam. De jongen kijkt onaangedaan, onschuldig, onwetend. Dan een andere jongen, even jong, even onschuldig, langzaam raakt ook hij bedekt met de afstotelijke huiduitslag. Hij kijkt geamuseerd, onzeker, bang misschien. In een volgend scene ligt het jongetje in bed, de huiduitslag heeft bijna een monster van hem gemaakt. Zijn moeder buigt zich over hem heen, gaat naast hem liggen. Het jongetje stelt haar gerust, streelt over haar gezicht, hij zegt dat hij van haar houdt, hij herhaalt het. Waarom moet de moeder gerustgesteld worden? Waarom eist het kind geen troostende woorden?
Een shock van herkenning, het kind als slaaf, het ontkent wat hijzelf tekort komt, alleen zo voelt hij zijn eigen pijn niet, alleen zo vergeet hij zijn eigen wonden. Het kind van de vrouw onder invloed leert zichzelf uit te schakelen. Ik was vier jaar, vijf, ik probeerde mijn moeder te begrijpen, haar verlangens te leren kennen, te geven wat ze nodig had, haar te behagen, maar ik kon het haar niet geven, ik kon haar niet behagen. Ik was zes, negen, veertien, ik kon niet zijn wat ze nodig had, ik wrong me in bochten maar het lukte me niet, en mijn zusjes ook niet. We namen het elkaar kwalijk dat het ons niet lukte.
De levenloze blik, in zichzelf gekeerd, de blik die het kind niet ziet, want als de moeder het kind wel zou zien, dan kwam ze te voorschijn, was ze daar voor haar kroost. Hoe ontwikkelt zich een kind dat zich niet kan spiegelen in de ogen van zijn ouders? Het kan zichzelf niet waarnemen, ziet de wonden niet op zijn huid, het is gedoemd om niemand te zijn. Het kan alleen iemand worden door zich in een ander te verplaatsen, het moet bestaan via anderen.
Ik durfde ‘s nachts mijn slaapkamer niet uit te gaan omdat mijn moeder dronken in huis rond liep. Ik deed mijn deur op slot. Ik plaste in een Chianti-fles en als die vol was in het bad in de badkamer van het poppenhuis en als die vol was en mijn urine over de badkamervloer stroomde, de drempel over en via de wenteltrap naar beneden sijpelde, plaste ik op de rode vloerbedekking van mijn kamer. Mijn moeder maakte het overdag schoon maar zij sprak er niet over en ik ook niet. Ik leerde dat de dag een ander bewustzijn heeft dan de nacht, nuchterheid een ander bewustzijn dan dronkenschap. Hoe meer ik aan het vermogen van mijn moeder om van mij te houden twijfelde, hoe meer ik van haar hield.
De volgende woorden schokken me meer dan al het andere nieuws uit de krant. ‘We zijn opgevoed met de gedachte dat de familie de enige vaste waarde is, iets wat je moet koesteren. En nu geven we de waarden door aan onze kinderen. Ze groeien samen op, brengen hun vakanties samen door, blijven bij elkaar logeren.’ Aan het woord is een directrice van een familiebedrijf. Op de foto staat ze naast haar zus, man en neef. Ze kijken trots de lens in. ‘Als er eens vriendjes blijven slapen, vind ik dat niet altijd evident, het is anders dan als de neefjes en nichtjes in huis zijn.’ De familie die geborgenheid in zichzelf zoekt. De familie die anderen buitensluit. We leven in het jaar 2002.
Ik moet denken aan: Pim Fortuyn. Blut und Boden. Het programma dat ik zag over gated communities. Een man die zich met zijn vrouw binnen zo’n afgegrendelde woonwijk had teruggetrokken zei: Iedere vreemdeling die door de straat rijdt wordt gesignaleerd, wat doet hij hier, heeft hij misschien iets kwaads in de zin?
De neef uit het bedrijf zegt: ‘We hebben dezelfde leeftijd, we zijn eigenlijk meer broer en zus, de schoolvakanties brachten we altijd samen door, we kregen dezelfde opvoeding, delen dezelfde waarden, hebben dezelfde smaak, hetzelfde oog voor esthetiek.’
Neef en nicht begrijpen elkaar zonder woorden. Dezelfde indoctrinatie, schijnzekerheid. Dezelfde waarden. Dezelfde smaak. Bepaalde vragen hoeven niet meer te worden gesteld. De poorten die dichtgaan uit angst voor de buitenwereld, sluiten de mensen in de binnenwereld op.
Een vriendin stuurt een uitnodiging voor een huwelijk in een kasteel. Het kasteel staat voor de goede oude tijd. Ze willen tradities – die niet eens hun eigen zijn - voortzetten. Dit is de mooiste dag van hun leven. Ik kan niet meer op een grasveldje staan in een smoking en opkijken naar het gehuurde kasteel, een glas in de hand, en lachen naar de gezichten onder de hoeden en denken we hebben het zo goed getroffen en wat een fantastische dag is het vandaag.
Op hun schild willen de mensen van het familiebedrijf hebben staan:‘Voor een mooiere wereld’. Een mooiere wereld waarin de families als eilanden voortbewegen. Wat een eenzaamheid. Het kost de mensen die ingeweefd worden in familie en traditie zoveel moeite om daar weer uit te raken en zich te bevrijden. Ik zie ze zitten in hun spacewagons. Ik zie ze zitten in hun kuil op het strand. Ik zie ze hun karren volgooien bij IKEA. Ze duwen me omver.
Vrienden die kinderen krijgen zie ik hun gevoeligheid naar de buitenwereld verliezen (nee Sara, jij niet, ik moet om je lachen hoe onvanzelfsprekend een kind voor je is en hoe nieuwsgierig je blijft naar de wereld en de dingen en gedachten om je heen). Hun gevoeligheid gaat voortaan naar binnen toe, in het gezin. Wat we vroeger met elkaar deelden – passies - wordt nu voor hen begeleiding, achtergrond. De vrienden met kinderen zoeken voortaan de vrienden met kinderen op, ze halen de banden met hun ouders en ooms en tantes aan, de neefjes en nichtjes komen logeren, dezelfde opvoeding, dezelfde waarden, dezelfde smaak. Als er vriendjes blijven slapen is dat niet altijd even evident. De familie sluit haar poorten. Daarbuiten is een vrije zone waarin vreemdelingen elkaar kunnen ontmoeten. Laten we daar onze tenten opslaan.
Geslapen, ik weet niet hoelang, nu is het alweer het eind van de dag, ‘s middags slapen, altijd een beetje triest wakker worden, de geluiden van de stad, het begin van de avond, mensen klaar met werken, op weg naar huis, inslapen, wakker worden, hoe laat zou het zijn, opstaan, naar buiten, een campari.
Geslapen, lang geslapen, wakker geworden en ingeslapen, de stad kan wachten,
de stad is niet het doel, uitrusten, omdraaien, wakker worden, inslapen, niet
de onrust van de zon en de dingen en de mensen, niet de onrust van alles wat
buiten me is.
Wakker worden, slenteren door de stad, staren door het ronde gat in het Pantheon,
ergens een wit pak voor mij apart laten hangen, eerst slapen en zien hoe het
morgen voelt, ijs eten, campari drinken, dineren op een terras aan de andere
kant van de rivier, terugslenteren naar huis.
Liggen in de heerlijke schommelstoel, met voetsteun en ruggesteun die helemaal verstelbaar is tot bijna horizontaal, lezen over de geschiedenis van deze stad, ad urbe condita, door de tijd vallen, hoe laat is het nu, één uur ‘ nachts, zin om te slapen.
Mijn gedachten alle kanten op laten gaan, niet dwingen in een bepaalde richting of ze de halt toeroepen, maar laten uitwaaieren zonder dat het wat moet opleveren, een gedachte, een verhaal.
Naar het plafond staren, mijn voeten hangen in de lucht, mijn lichaam verliest zijn zwaartekracht, eigenlijk is het meer zweven, het is al bijna tijd om te rusten, ik vraag me af wat er komt bovendrijven in mij, dingen die nooit te voorschijn konden komen misschien, uitrusten als uitzweten, eerst de onrust eruit, daarna de rust, wat blijft er in mij over?
Ik zie het witte pak voor me, boven me, het zweeft voor me uit, het is buiten warm, ik kijk naar het licht dat door de lamellen van de luiken hoog op de muren en lambrizeringen valt, de muren lijken van glas.
Gewekt door de klokken van de stad, een paar pagina’s gelezen, wandelen door het park bij Borghese, slapen onder de bomen, ijs eten, en slapen, campari drinken en slapen, tot de avond, jonge mensen dansen bij hun auto’s, naar huis, niets doen leidt tot niets doen. Weer een dag zonder iets te hebben gedaan.
Geslapen, een paar Caravaggio’s bekeken, in Sant’ Agostino, San Luigi dei Francesi, een roman over de schilder gekocht, beginnen te lezen, de man op de vlucht, leven voor je werk, wandelen in het park, een bloedhete dag, zo heet dat het gedachten doet verdwijnen, ik zie alleen het pak, het witte pak, drinken, slapen, wachten, op de koelte van de avond, slapen onder de bomen, het witte pak gekocht, gegeten, naar huis, het pak opgehangen voor het raam, slapen.
Nog meer Caravaggios bekeken, in Palazzo Barberini, Galleria Doria Pamphilj, gelopen, naar huis, geslapen, gelezen, bij open vensters, geslapen en gelezen, in 1592 komt de 20-jarige Caravaggio aan op het Piazza del Popolo, hier honderd meter vandaan. Als twintig jarige knaap. Niet om zijn dromen te realiseren, maar omdat deze stad een grote werkplaats is. Het is avond geworden, op de achtergrond een concert vanuit het park, Kruder Dorfmeister, het ritme is opzwepend, muziek die je buiten jezelf brengt, ik wil niet buiten mezelf, ik wilde altijd buiten mezelf, hierbinnen blijven, inslapen, wakker worden, ik lees dat Caravaggio via de spiegel schilderde omdat daardoor alles gelijkwaard werd, de vruchten, de huid, de borden, de stoffen, ze kregen dezelfde natuur, hun weerspiegeling was oprechter dan zijzelf, dat is een mooie gedachte voor ik ga slapen. Hopelijk zwepen de ritmes me niet op, geven ze me niet het gevoel dat ik elders had moeten zijn. De vuilniswagen komt voorbij en vermaalt op brute wijze de fijne muziek, brekend glas, gekraak, doffe klappen, gegrom van de motor, het is middernacht.
In januari 1997 kocht ik een Tattoo for reflection van de Schotse kunstenaar Douglas Gordon. Het woord GUILTY moest in spiegelschrift op mijn linkerschouderblad worden aangebracht. Ik heb er lang over getwijfeld of ik het wel moest doen maar de kunstenaar haalde me over. Het zou een catharsis zijn. Hoewel hij voortdurend met zijn vingers hoorntjes in zijn haar draaide en veelvuldig sprak over de duivel, vertrouwde ik hem. Op zijn bovenarm las ik 'TRUST ME'. Op zijn T-shirt stond heel onschuldig 'Teenage fanclub'.
Ik ging op zoek naar een tatoeërder. Het meisje achter de bar in café de Engelbewaarder in Amsterdam raadde me aan om naar Hanky Panky te gaan. Hij was The King of Tattoos. 'Het is een seksuele ervaring,' zei ze terwijl ze een dubbele whisky voor mij en zichzelf inschonk. Ik moest me voorstellen dat de vrouw van mijn dromen haar nagels in mijn rug zette. Hiermee stelde ze me allerminst gerust.
Hanky Panky staat groot en stoer achter mij. Hij wil weten hoeveel het kunstwerk van de Turner Prize-winnaar heeft gekost. Ik gebaar minzaam met mijn hand. Terwijl hij het sjabloon van Guilty op mijn schouder aanbrengt gaan tegenover mij een moeder en dochter zitten. Het pubermeisje laat een collega van Hanky Panky een plaatje zien van een onbeduidend vlindertje. De moeder kijkt mij verdrietig aan. Boven haar hoofd hangen foto's van mannen met blote vrouwen en ankers op hun armen. Hanky Panky begint met zijn instrument op mijn linker schouderblad te krassen, te prikken, te schieten. De pijn heeft niets te maken met welke seksuele ervaring dan ook. Waren het maar nagels die over mijn rug gaan. Douglas heeft me opgedragen na te denken waarover ik me het meest schuldig voel. Het is tenslotte een tattoo for reflection. Ik probeer na te gaan wat het allerslechtste is wat ik ooit heb gedaan.
Ik sluit mijn ogen en ga terug naar de laagste klassen van de lagere school. Twee straten leiden naar mijn school. De ene is licht en vrolijk, de andere donker en angstaanjagend. In de donkere straat woont Walter, een mongool die kleine kinderen in een put duwt en die door zijn moeder in een rode sportauto wordt rondgereden. Ik verklein mijn diafragma tot de middag waarop ik besluit via de donkere straat naar huis te keren. Ik loop in de schaduw van de bomen tussen gevels en geparkeerde auto's, doodsbang dat Walter te voorschijn zal springen. Opeens hoor ik een stemmetje. Tussen de auto's zit een jongetje op de stoeprand. Op zijn schoot ligt een doos. Hij vraagt of ik wil kijken. Ik kijk om me heen want ik ben bang dat hij een lokvogel van Walter is. Het jongetje reikt me de doos aan. Het is een kijkdoos afgedekt met lichtblauw papier. Voorzichtig kijk ik door het gaatje. Ik zie watjes, watjes, watjes en blauwachtig licht. 'Het is de hemel,' zegt het jongetje vol blijdschap. In een reflex zet ik de doos op de grond en verpletter hem met mijn voeten. Ik ren weg door de donkere straat in de richting van het licht. Achter mij groeit het huilen van het jongetje, het groeit en groeit tot Hanky Panky op mijn schouder klopt. Hij is klaar.
Ik open mijn ogen en zie de moeder halfnaakt op de stoel zitten. Haar buik en borsten zijn bedekt met vurige tongen. De dochter bekijkt heupwiegend het vlindertje op haar borst in de spiegel. Ik ga naast haar staan, adem diep in, draai me om en kijk over mijn schouder. Ik lees hardop GUILTY.
Ik ben terug in Brussel. Ik trek mijn T-shirt uit en laat Jan mijn Tattoo for reflection zien. 'Je hoeft je nooit meer schuldig te voelen,' zegt hij. 'Schuld is voortaan alleen maar een beeld.' Dit herhaalt hij een paar keer terwijl hij mijn schouder met betadine insmeert. Ik wil het graag geloven.
Lieve Isabelle A., hoe was het ook alweer, ‘ver weg op zee in een blauwe boot, boven ons hoofd de sterren, samen met jou op het blauwe eiland,’ het is nu denk ik vier zomers geleden, ‘enkel wij twee, met het lied van de zee,’ het komt langzaam terug, ‘wie ben jij, want de hemel was nooit zo dichtbij, hou je van mij voor altijd, laat het nooit meer voorbijgaan voor mij, te samen voor altijd,’ Ik wilde ook een blauwe boot en een blauw eiland, en sterren en tesamen voor altijd.
Het is nu twee dagen geleden, de trein naar Gent zat vol bejaarden, ze stonden in het gangpad, de conducteurs en de minibar zaten klem. Ik probeerde een krant te lezen, maar ik kon niet lezen omdat al die bejaarden aan het tetteren waren. Het was een vrolijk getetter, misschien de laatste prachtige dag van het jaar. De bejaarden gingen allemaal naar zee. Ik dacht aan de wereld zoals die langzaam wordt. Grijs. Niet donkergrijs, niet lichtgrijs, maar middelmatig, stomvervelend grijs.
Het radioprogramma Tijdgenoten had me gevraagd met een componist uit Gent een hit te schrijven. In één uur tijd. Ik dacht: waarom niet ‘Een bed vol schuim.’ Een titelsong voor mijn nieuwe roman. Een duet voor een vrouw en een man die uit elkaar willen gaan maar niet kunnen. Het is onmogelijk. Ze zitten in elkaar. Ze zijn één. Ik zag de bejaarden naar elkaar lonken, de vrouwen naar de enkele mannen, de enkele mannen naar de vele vrouwen, hun kleine geile oogjes schoten heen en weer.
In de studio van Miguel Wiels hingen overal affiches van jou. ‘Wie ben jij’ heeft hij voor jou geschreven. Ik voelde me meteen met hem verwant. Ik moest een refrein bedenken. ‘Ik in jou, jij in mij, in een bed vol schuim. Jij in mij, en ik in jou, in een bed vol schuim.’ Hij neuriede, hij volgde, vroeg woorden, ik gaf ze hem, vanuit het niets ontstond iets. ‘We zijn samen één, geen moment alleen, door alle grenzen heen, door alle grenzen heen, in een bed vol schuim.’ Ik was de afgelopen dagen nogal somber, zoals ik altijd somber ben als er een nieuw boek verschijnt, maar nu hervond ik mijn blijdschap. ‘De eerste keer dat ik jou zag, was ik bang dat ik mijzelf in jou verloor, ik was bang, zo bang. De eerste keer dat ik jou zag, was ik bang dat ik nooit zonder jou kon zijn, was ik bang, zo bang,’ En nu de overgang naar het refrein. ‘En je nam mijn hand, raakte me zacht aan, ik voelde dat ik nooit, nooit, nooit…’ Binnen een mum van tijd hadden we een liedje gemaakt. Ik was zo blij.
Wil jij het zingen?
Met wie wil jij het zingen?
Ze zullen het van de steigers zingen, vanachter de toonbank, op weg naar het werk, in bibliotheken, sociale werkplaatsen, bejaardentehuizen. ‘Ik in jou en jij in mij.’ Als je iets vaak genoeg herhaalt gebeurt het ook. ‘We zijn samen één, geen moment alleen, door alle grenzen heen, door alle grenzen heen, in een bed vol schuim.’
‘Als je net een roman hebt gepubliceerd breekt er een moeilijke periode aan. Alsof je onder verdenking staat van een strafbaar feit. Een oordeel wordt onmiddellijk geveld. Mild of zonder mededogen. Je kunt je er niet voor afsluiten. En dan zijn er de vragen. De schrijver moet verantwoording afleggen. In de war gebracht door de buitenwereld ontdekt hij wat het schrijven eigenlijk voor hem betekent: je van die wereld losmaken en je eigen vrijheid opeisen.’
Deze woorden schreef ik op na het verschijnen van mijn vorige roman maar ik schrijf ze nu opnieuw om de betekenis ervan tot me door te laten dringen. Ik dacht vroeger dat iedereen mij op een dag zou kunnen begrijpen. Ik dacht dat schrijven daarvoor de voorwaarde was. Het is avond in Brussel. Ik ben verdrietig. Negatieve recensies. Aan de andere kant van de grens. Ik heb ze niet eens zelf gelezen. Maar ik heb gehoord dat ze er zijn. Ook heel positieve. Op de een of andere manier raken die me minder. Ik spreek mezelf toe. Niet verdrietig zijn. Ik dacht dat het wende. Het went niet.
Ik kijk naar de mannen en vrouwen achter hun ramen. Ze laten me in mijn waarde. Zij beoordelen me niet. Ze zien me niet eens. Onzichtbaar zijn. De man in de duisternis. De sluipschutter. Schieten maar niemand schiet terug. Zo’n schrijver zou ik willen zijn, nee, helemaal niet, ik wil de man zijn in het licht, ik wil zichtbaar zijn. ‘Il faut assumer,’ zegt de vrouw in mijn boek. Je moet de verantwoordelijkheid voor je daden opeisen en de gevolgen aanvaarden.
Wat doen de mensen aan de overkant? Daar achter de ramen links in het gebouw zijn ze aan het mediteren. Ze staan al twintig minuten bewegingloos stil. Waar denken ze aan? Nergens aan. Denken aan niets. Geen verdriet voelen. Geen blijdschap. De mensen rechts in het gebouw bewegen vrij in de ruimte. Ze springen en draaien en rennen. Vrije expressie. Ik heb de hele dag vrij bewogen in de ruimte. Door de stad gelopen en twintig baantjes getrokken in het zwembad. Ik heb ook vrij bewogen in mijn hoofd. Ik heb zoveel dingen gedacht. Eens kijken in mijn notitieboekje. ‘De Belgische nationaliteit aanvragen.’ Dat dacht ik nadat ik in een interview had gelezen dat mijn collega Hafid Bouazza zo blij is dat hij een Hollander is. Ik was jaloers op hem. Ik wil ook trots zijn op mijn nationaliteit. Belg zijn omdat ik het heb gekozen. Heimat und zweite Heimat. De familie waar je vandaan komt en de familie waar je naartoe gaat. De schrijver zei ook dat hij zich nu pas echt in Holland geaccepteerd voelt omdat zijn boeken de laatste tijd ook wordt afgekraakt. Dat is positief denken, Hafid. Daarna lees ik in mijn notitieblokje: ‘Ophouden met schrijven.’ Onzin. Dat heb ik al zo vaak opgeschreven. Ik heb het nodig om er over na te denken om er vervolgens opnieuw voor te kunnen kiezen. Misschien kan ik beter mediteren. Ik ben er niet goed in. Aan de binnenkant van mijn doosje thee staat een oefening. ‘Zit op de hielen, de knieën ver uit elkaar. Buig voorover tot je voorhoofd op de grond rust. Ontspan je in deze houding, terwijl je lang en diep ademhaalt door de neus gedurende v ijf minuten.’ Ik ga op de grond zitten, buig me voorover, mijn voorhoofd op de houten vloer. Ik ben vergeten de radio uit te zetten maar terwijl ik diep in en uitadem is het alsof de klanken uit mijn oren verdwijnen, alsof het eindelijk stil wordt.